Hof Amsterdam 18 oktober 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BT8421
In een geval als het onderhavige, waarin het gaat om de toetsing van een algemene gestandaardiseerde werkwijze die als dienst aan de eigen opdrachtgevers wordt aangeboden, is wel een rol voor de tuchtrechter weggelegd om te toetsen of die werkwijze een behoorlijk gerechtsdeurwaarder betaamt. Bij de executie dient de gerechtsdeurwaarder te blijven binnen de grenzen van de bevoegdheden die het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering hem verleent, ook als een andere wijze van executeren wellicht effectiever zou zijn. Dat wetboek hanteert het uitgangspunt dat beslaglegging op roerende zaken, ook in de executoriale fase, niet automatisch meebrengt dat de zaak uit de feitelijke macht van de debiteur verdwijnt. Een wielklem kan onder omstandigheden worden beschouwd als een praktische manier om de uitvoering van de inbewaringgeving te verzekeren. Zonder de noodzakelijkheidstoets heeft de wielklem echter, zoals de kamer terecht heeft overwogen, het karakter van een buitenwettelijk, en dus onwettig, pressiemiddel. Het hof deelt het standpunt van de kamer dat de gerechtsdeurwaarder bij de beslaglegging niet uitsluitend mag afgaan op een mededeling van een collega-deurwaarder of een opdrachtgevende overheid dat er een executoriale titel bestaat die aan de debiteur is betekend. De gerechtsdeurwaarder zal zelf kennis moeten nemen van de titel en de betekening daarvan en zal daartoe minst genomen moeten beschikken over een (al dan niet elektronische kopie van de) grosse voordat het beslag feitelijk wordt gelegd. Wat ook zij van de vraag of het juist is om op grond van een kopie van een grosse te executeren, tuchtrechtelijk laakbaar is dat in ieder geval niet. Evenals de kamer ziet het hof geen aanleiding tot het opleggen van een maatregel, omdat over de hier aan de orde zijnde materie nog niet eerder een richtinggevende uitspraak is gedaan en de onderhavige procedure is bedoeld als proefprocedure. Het hof bekrachtigt de bestreden beslissing.
De uitspraak op rechtspraak.nl