Hof Amsterdam 28 april 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT6423

5.1. De bestreden heffing is gebaseerd op artikel 15 van Verordening (EEG) nr. 1785/81 van de Raad, zoals gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3290/94. Het eerste lid van deze bepaling luidt als volgt: “1. Om de nadelen voor de markt van de Gemeenschap die het gevolg kunnen zijn van de invoer van bepaalde landbouwprodukten, te voorkomen of te beperken, wordt bij de invoer van een of meer van deze produkten tegen het in het gemeenschappelijk douanetarief voorgeschreven recht een aanvullend invoerrecht toegepast volgens de bepalingen van artikel 5 van de Overeenkomst inzake de landbouw die in overeenstemming met artikel 228 van het Verdrag is gesloten in het kader van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguay-Ronde, tenzij de invoer de communautaire markt niet dreigt te verstoren of de gevolgen niet in verhouding zouden staan tot het beoogde doel.”. 5.2. Bij Verordening (EG) nr. 1423/95 van de Commissie van 23 juni 1995 zijn uitvoeringsbepalingen vastgesteld voor de invoer van producten uit de sector suiker, andere dan melasse. Ingevolge artikel 1 van deze uitvoeringsverordening gelden voor onder meer producten vallend onder GN-code 1701 11 90 (ruwe rietsuiker) de in artikel 15, eerste lid, van Verordening (EEG) 1785/81 bedoelde aanvullende invoerrechten en worden de prijzen voor elk verkoopseizoen vastgesteld volgens de procedure van artikel 41 van deze verordening. 5.3. Uit hetgeen onder 5.1. en 5.2. is overwogen volgt dat het aanvullende invoerrecht dat bij de litigieuze uitnodiging tot betaling is geheven een belasting is in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. 5.4. Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van de Douanewet worden belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in dat van specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn, naar Nederlands recht aangeduid als landbouwheffingen. Nu ingevolge artikel 30d, eerste lid, van de AWR tegen een uitnodiging tot betaling van landbouwheffingen beroep openstaat bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, moet worden geoordeeld dat de Douanekamer niet bevoegd is kennis te nemen van het geschil. 5.5. Aan het onder 5.4. gegeven oordeel doet niet af dat belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid op grond van artikel 4, tiende lid, van het Communautair douanewetboek (CDW; tekst vanaf 1 januari 1997) onder het in het CDW gebezigde begrip rechten bij invoer zijn gebracht. Het CDW verzet zich er naar het oordeel van de Douanekamer niet tegen dat de lidstaten aan bepaalde categorieën van de in het CDW bedoelde rechten bij invoer een eigen benaming geven, en evenmin dat de lidstaten voor bepaalde categorieën rechten bij invoer in de zin van het CDW verschillende rechtsgangen openen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen