Hof Amsterdam 3 februari 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AS7075

De gerechtsdeurwaarder heeft er zich in hoger beroep op beroepen dat hij terzake van zijn financiële problemen reeds is geschorst voor de duur van één maand. Voor zover de gerechtsdeurwaarder daarmee bedoelt te betogen dat hem terzake van de onderhavige nieuwe klacht geen sanctie kan worden opgelegd, faalt dit betoog. In het kader van de behandeling van de onderhavige klacht zijn immers nieuwe feiten en omstandigheden gebleken. Wel is het hof van oordeel dat op de gerechtsdeurwaarder in totaal geen zwaardere sanctie behoort te worden toegepast dan de maatregelen die het hof zou hebben opgelegd bij gelijktijdige berechting van de klachten. Het hof zou in dat geval hebben opgelegd de maatregel van schorsing van de gerechtsdeurwaarder voor de duur van twee maanden. Dit standpunt brengt met zich mee dat het hof de maatregel die de kamer de gerechtsdeurwaarder heeft opgelegd onjuist acht. Het hof zal de beslissing van de kamer op dat punt vernietigen en overgaan tot oplegging van de maatregel van schorsing van de gerechtsdeurwaarder voor de duur van één maand.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen