Hof Amsterdam 23 maart 1999, ECLI:NL:GHAMS:1999:AK4842
Uit het bepaalde in artikel 91, lid 2, van de Verordening vrijstellingen volgt dat achteraf, dat wil zeggen nadat de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, niet meer een beroep op de vrijstelling voor de invoer van monsters kan worden gedaan. Daaruit volgt dat belanghebbendes stelling dat de douanewaarde moet worden vastgesteld op basis van een "verklaarde intrinsieke waarde", omdat sprake zou zijn van ingevoerde monsters, niet als juist kan worden aanvaard. Nu de vrijstellingsbepaling met betrekking tot monsters niet van toepassing kan zijn, dient de douanewaarde van de goederen met toepassing van de Verordening douanewaarde te worden bepaald. Er zijn in casu onvoldoende gegevens komen vast te staan om de transactiewaarde te kunnen bepalen. Voor vaststelling van de douanewaarden op basis van de transactiewaarden van identieke of soortgelijke goederen geldt hetzelfde. Vaststelling van de onderhavige douanewaarden dient in dat geval te geschieden met gebruikmaking van redelijke middelen als bedoeld in artikel 2, lid 3, van de Verordening douanewaarde. De berekening van de douanewaarden op basis van de in de administratie van belanghebbende aangetroffen gegevens met betrekking tot de aankoop van de goederen moet als een redelijk middel in vorenstaande zin worden aangemerkt. Toen belanghebbende aangifte deed was zij ervan op de hoogte dat de daarbij overgelegde facturen nog met andere facturen met betrekking tot de materiaalkosten moesten worden aangevuld. Belanghebbende heeft zulks evenwel achterwege gelaten. Onder deze omstandigheden moet het er voor worden gehouden dat belanghebbende de douanewaarden bewust tot een te laag bedrag heeft opgegeven. Daarmede is het bestaan van een strafrechtelijk vervolgbare handeling komen vast te staan. De navorderingstermijn beloopt in dat geval ingevolge artikel 3 van de Verordening navordering in samenhang met artikel 129, lid 3, WD vijf jaren. Geen voorschrift uit het douanerecht verzet er zich tegen dat een uitnodiging tot betaling betrekking heeft op meer dan een aangifte ten invoer. Steun hiervoor is onder meer te vinden in rechtsoverweging 14 van het arrest van het Hof van Justitie van 12 december 1985, zaak nr. 214/84, Jur. 1985, blz 4051.
De uitspraak op rechtspraak.nl