CRvB 8 oktober 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:1352

Appellant is vanaf 7 mei 2024 niet meer verzekerd voor de Wlz. De Raad is van oordeel dat de Svb terecht handhaaft dat appellant vanaf 7 mei 2024 niet verzekerd is op grond van de Wlz, omdat hij geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft op grond waarvan hij nog als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

26/1091 AOW, 26/1093
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 8 mei 2026, 25/1974 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] , ingeschreven te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 8 oktober 2026

SAMENVATTING

Appellant is vanaf 7 mei 2024 niet verzekerd op grond van de Wlz, omdat hij niet meer als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt. Hoewel de binding van appellant met Nederland groot is, is deze binding van onvoldoende gewicht om een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland – en daarmee ook woonplaats in Nederland – aan te nemen.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T. Wittering hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan. De Svb heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft nadere stukken aan de Raad toegestuurd.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 augustus 2026. Voor appellant is verschenen mr. Wittering. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.A.H. Koning. De schoonzoon van appellant, [naam] , heeft als informant aan de zitting deelgenomen.

Ter zitting heeft de gemachtigde van appellant het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1 Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1 Appellant ontvangt sinds december 2007 een AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande. In 2023 heeft de Svb een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van appellant opgestart omdat op het adres waarop hij in de BRP staat ingeschreven meer meerderjarige personen staan ingeschreven. Dit onderzoek is verricht in het kader van Risico-onderzoek “2023 Inwonend bij derde”. In het kader van dat onderzoek heeft appellant onder meer verklaard dat hij het BRP-adres als postadres gebruikt, en als logeeradres als hij in Nederland is. Hij verblijft het grootste deel van het jaar in Suriname. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de handhavingsrapportage van 23 april 2024.

1.2 Met een besluit van 26 september 2024 (primaire besluit) heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 7 mei 2024 in het buitenland woont en dat daarom zijn netto AOW-pensioen wijzigt. Vermeld is ook dat appellant niet verzekerd is voor de Wlz, dat daarom vanaf juni 2024 geen bijdrage Zvw meer wordt ingehouden en dat Nederlandse zorgverzekeraars zijn ziektekosten niet meer vergoeden.

1.3 Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 september 2024 heeft de Svb in het besluit van 24 februari 2025 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. De Svb beschouwt appellant in ieder geval vanaf 4 november 2011 niet meer als ingezetene van Nederland omdat hij vanaf die datum staat ingeschreven op het adres van zijn dochter en niet meer zelf duurzaam kan beschikken over een eigen woonruimte in Nederland. Volgens zijn verklaring verblijft hij dan al jaren grotendeels in Suriname. Hij is vanaf die datum dan ook niet verzekerd voor de Wlz. De ten onrechte op zijn AOW-pensioen ingehouden Zvw-premie wordt gerestitueerd.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank volgt de Svb in het standpunt dat appellant in elk geval vanaf 4 november 2011 niet langer als ingezetene van Nederland kan worden beschouwd en onderschrijft de motivering die de Svb daaraan ten grondslag heeft gelegd. Volgens de rechtbank zijn de banden die appellant met Nederland heeft nauw gebleven, maar zijn de in aanmerking komende omstandigheden, in hun onderlinge samenhang bezien, van onvoldoende gewicht om een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland ook nog vanaf 4 november 2011 aan te nemen en te concluderen tot continuerend ingezetenschap van appellant.
Het standpunt van appellant

3.1 Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Volgens appellant heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom de feiten en omstandigheden in zijn geval niet leiden tot een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Appellant vindt dat met name zijn sociale binding met Nederland zodanig is dat hij ondanks zijn langdurige verblijf buiten Nederland altijd ingezetene van Nederland is gebleven. Daarnaast is zijn verzekering voor de Wlz met een zeer lange terugwerkende kracht beëindigd, wat ingrijpende gevolgen heeft voor appellant wat betreft zijn financiële positie, zijn zorgverzekeringspositie en zijn medische zorgzekerheid.
Het standpunt van de Svb

3.2 Ter zitting heeft de Raad met de Svb besproken waarom in het bestreden besluit de verzekering voor de Wlz van appellant met een zeer lang terugwerkende kracht is gecorrigeerd, welk belang de Svb bij een dergelijke vaststelling heeft en de gevolgen die deze vaststelling voor appellant kan hebben. De Raad heeft daarbij ook gewezen op zaken die bij de Raad ambtshalve bekend zijn en waarin de Svb oog heeft gehad voor de in geding zijnde belangen van een betrokkene bij een beëindiging van de Wlz-verzekering met terugwerkende kracht. De Svb heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld in deze procedure geen belang te hebben bij een vaststelling van de verzekeringspositie van appellant met een terugwerkende kracht tot 4 november 2011, zoals in het bestreden besluit is gedaan. Gelet hierop, en gezien de nadelige gevolgen die deze lange terugwerkende kracht voor appellant kan hebben, heeft de Svb verklaard dat in deze procedure alsnog kan worden uitgegaan van de in het primaire besluit genoemde datum 7 mei 2024 als datum vanaf wanneer appellant niet meer als verzekerde voor de Wlz wordt aangemerkt. De Svb blijft bij het standpunt dat appellant vanaf 7 mei 2024 geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft op grond waarvan hij nog als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt.

Het oordeel van de Raad

4 De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt in die zin dat nadere standpunt van de Svb zoals verwoord onder 3.2 moet worden onderschreven. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

4.1 Tussen partijen is in geschil of appellant op grond van ingezetenschap met ingang van 7 mei 2024 verzekerd is voor de Wlz, en daardoor ook voor de Zvw.
Juridisch kader

4.1.1 Verzekerd voor de Wlz is degene die ingezetene van Nederland is. Ingezetene in de zin van die wet is degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

4.1.2 De Svb stelt ambtshalve of op aanvraag de verzekering voor de Wlz vast.

4.1.3 Om te bepalen waar iemand woont moet acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. Ook heeft de Hoge Raad overwogen dat waar iemand woont, naar de omstandigheden wordt beoordeeld en niet uit te sluiten is dat iemand tegelijkertijd zowel met Nederland als met een ander land zodanige duurzame betrekkingen van persoonlijke aard onderhoudt dat hij gezegd moet worden in beide landen te wonen. Een dergelijke dubbele woonplaats zal zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoen.
Ingezetenschap

4.2 Appellant bestrijdt niet dat hij al lange tijd grotendeels in Suriname verblijft. Hij vindt echter dat hij een zodanige duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft behouden dat hij blijvend als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt. Voor appellant is deze vaststelling met name van belang omdat hij als ingezetene van Nederland verzekerd is voor de Wlz en zijn zorgverzekering in Nederland kan behouden.

4.3 De vraag of appellant vanaf 7 mei 2024 een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft op grond waarvan hij als ingezetene kan worden aangemerkt, beantwoordt de Raad, evenals de rechtbank ontkennend. Hierbij gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

4.4 Appellant is oud-onderwijzer en is in 2005 les gaan geven op een school in een jungledorp in Suriname. De jaren daarna heeft hij een aantal kinderen van die school ook financieel en pedagogisch ondersteund. In de eerste jaren reisde appellant heen en weer tussen Suriname en Nederland. Nadat appellant zijn huis in Nederland had verkocht, heeft hij zich op 4 november 2011 ingeschreven op het adres van zijn dochter in [woonplaats] . Dit adres is tevens zijn postadres. Appellant verblijft het grootste deel van het jaar buiten Nederland, met name in Suriname, maar ook op Aruba, waar nog een dochter woont. Appellant had tussen 2009 en 2016 een één- en tweejarigvisum voor Suriname en reist sindsdien op een toeristenvisum. Appellant bezat een stukje grond in Suriname dat in 2025 is verkocht. Appellant heeft altijd een huurwoning in Suriname gehad en deelt sinds 2018 de woning met [naam kind] , een van de kinderen die hij al vele jaren begeleidt. Appellant beschouwt [naam kind] als zijn onofficiële pleegdochter. Het is de bedoeling dat [naam kind] in Nederland verder gaat studeren en dat appellant zich dan ook weer permanent in Nederland gaat vestigen. Hij heeft zich ingeschreven bij woningcorporaties in Nederland voor een huurwoning. Appellant is naar eigen zeggen twee à drie maanden per jaar in Nederland. Hij logeert dan enige tijd in het huis van zijn (inmiddels overleden) dochter, schoonzoon en kleinkinderen en heeft dan de beschikking over een eigen kamer en persoonlijke spullen. Verder verblijft hij in die periode bij vrienden, in een Airbnb of vakantiehuisje. Tijdens zijn verblijf in Nederland bezoekt appellant familie en vrienden. Ook vinden dan zoveel mogelijk de noodzakelijke medische onderzoeken en behandelingen plaats door huisarts en specialisten. Appellant betaalt belasting in Nederland, heeft diverse verzekeringen en lidmaatschappen in Nederland en een Nederlandse bankrekening.

4.5 Buiten kijf staat dat de binding van appellant met Nederland groot is. De in aanmerking komende omstandigheden van dit geval, in hun onderlinge samenhang bezien, zijn echter van onvoldoende gewicht om een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland – en daarmee ook woonplaats in Nederland – aan te nemen. De Raad acht hier van belang dat appellant onbestreden vanaf 2005 grotendeels in Suriname verblijft en dat hij zijn leven feitelijk in Suriname heeft ingericht. Hij heeft sinds 2011 geen eigen woning meer in Nederland. Hij heeft in Suriname een woning die hem duurzaam tot zijn beschikking staat. Appellant komt weliswaar enige maanden per jaar terug naar Nederland, maar zijn verblijf in Nederland is kortdurend en beperkt zich tot familie- en vriendenbezoek en het ontvangen van medische zorg. Door de schoonzoon van appellant is er ter zitting nog op gewezen dat appellant tijdens zijn verblijf in Nederland altijd kan beschikken over een kamer bij hem thuis, welke kamers overigens van tijd tot tijd ook door andere logés wordt gebruikt. Dit gegeven is, ook bezien in samenhang met de overige banden die appellant nog met Nederland heeft, is onvoldoende zwaarwegend om aan te nemen dat op grond daarvan vanaf 7 mei 2024 nog sprake was van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland. Dat appellant de intentie heeft om zich weer in Nederland te vestigen als de omstandigheden dit toelaten, kan hier ook niet aan afdoen.

4.6 Geconcludeerd wordt dat de Svb terecht handhaaft dat appellant vanaf 7 mei 2024 niet verzekerd is op grond van de Wlz, omdat hij niet als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt.

Conclusie en gevolgen

5.1 Gelet op het feit dat de Svb ter zitting van de Raad desgevraagd heeft verklaard de mate van terugwerkende kracht die bij het bestreden besluit is toegepast niet langer te handhaven, slaagt het hoger beroep. Dit leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Dat appellant niet langer verzekerd is voor de Wlz vanaf 7 mei 2024, stond ook in het primaire besluit. De Raad concludeert dat de Svb had moeten volstaan met een enkele ongegrondverklaring van het bezwaar van appellant tegen dat besluit. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het bezwaar ongegrond te verklaren en te bepalen dat deze uitspraak treedt in de plaats van het bestreden besluit.

5.2 Nu het in hoger beroep gewijzigde standpunt van de Svb niet aan appellant valt te verwijten, krijgt appellant een vergoeding van de kosten voor verleende rechtsbijstand in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 3.736,- (2 punten voor indiening van het beroepschrift en hoger beroepschrift en 2 punten voor de zittingen, met en wegingsfactor 1. De waarde per punt € 934,-). Daarnaast dient de Svb het door appellant betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
verklaart het bezwaar ongegrond en bepaalt dat deze uitspraak treedt in de plaats van het bestreden besluit;
veroordeelt de Svb in de kosten van appellant tot en bedrag van € 3.736,-;
bepaalt dat de Svb aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 200,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en G.C. Boot en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van A.M. van Oorschot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) A.M. van Oorschot

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip ingezetene.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Wet langdurige zorg (Wlz)

Artikel 1.2.1

Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont.

Artikel 1.2.2, eerste lid

Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

Artikel 2.1.1

Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die:

a. ingezetene is;

b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

(…)

Artikel 2.1.3

De Sociale verzekeringsbank stelt ambtshalve en, desgevraagd, op aanvraag vast of een natuurlijke persoon voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 2.1.1 of 2.1.2 vastgestelde voorwaarden voor het verzekerd zijn ingevolge deze wet.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken