CRvB 8 oktober 2026, ECLI:NL:CRVB:2026:1349
Appellant is vanaf 9 augustus 2020 niet meer verzekerd voor de Wlz. De Raad is net als de rechtbank van oordeel dat de Svb terecht heeft aangenomen dat appellant vanaf 9 augustus 2020 geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland meer had en daarom geen ingezetene meer was van Nederland.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 november 2024, 24/877 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 8 oktober 2026
SAMENVATTING
Appellant is vanaf 9 augustus 2020 niet verzekerd op grond van de Wlz, omdat hij niet meer als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt. De binding die appellant met Nederland heeft is van onvoldoende gewicht om een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland – en daarmee ook woonplaats in Nederland – aan te nemen.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 augustus 2026. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Willering. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1 Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1 In september 2017 heeft appellant de Svb verzocht te onderzoeken of hij verzekerd blijft voor de Wlz als hij in november 2017 naar de Verenigde Arabische Emiraten ( [plaats] ) vertrekt om daar te gaan wonen en werken ten behoeve van zijn makelaardij. Hierbij heeft appellant volgens een interne notitie van de Svb onder meer aangegeven dat hij zijn werkzaamheden vanuit [plaats] zal blijven voortzetten via telefoon en email, dat de daadwerkelijke werkzaamheden als makelaar in Nederland zullen plaatsvinden gedurende vijf maanden in de zomerperiode, dat nog niet duidelijk is of hij zich definitief in [plaats] gaat vestigen en dat daarom het werk- en woonadres in Nederland worden aangehouden.
1.2 Met een besluit van 17 november 2017 heeft de Svb appellant meegedeeld dat hij verzekerd is voor de Wlz vanaf 15 november 2017, omdat hij naar de omstandigheden beoordeeld vooralsnog als ingezetene wordt beschouwd van Nederland. In het besluit is vermeld dat een wijziging in de situatie gevolgen kan hebben voor de Wlz-verzekering en dat hij een wijziging binnen vier weken door moet geven.
1.3 Met een besluit van 4 september 2020 heeft de Svb aan appellant vanaf 9 augustus 2020 een AOW-pensioen toegekend met een korting van 4 %, onder meer in verband met een niet verzekerde periode van 26 november 2017 tot en met 8 augustus 2020. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.
1.4 Op 22 juni 2023 heeft appellant – kennelijk op verzoek van zijn zorgverzekeraar – aan de Svb gevraagd een onderzoek te doen naar zijn verzekering voor de Wlz. Met een besluit van 30 augustus 2023 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 26 november 2017 niet verzekerd is voor de Wlz, omdat hij vanaf die datum niet woont en werkt in Nederland.
1.5 Met een besluit van 28 december 2023 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 augustus 2023 gegrond verklaard. De Svb heeft vastgesteld dat appellant in de periode vanaf 26 november 2017 tot en met 8 augustus 2020 wel verzekerd was voor de Wlz. Appellant is in die periode – hoewel hij in [plaats] woonachtig was – nog wel als ingezetene van Nederland aangemerkt. Vanaf 9 augustus 2020 is appellant niet meer voor de Wlz verzekerd omdat hij vanaf die datum bijna drie jaar buiten Nederland verblijft en daarom geen ingezetene van Nederland meer is. De makelaarsactiviteiten worden niet gezien als arbeid in dienstbetrekking omdat appellant geen loon ontvangt. De makelaarsactiviteiten worden ook niet beschouwd als werkzaamheden als zelfstandige, omdat appellant uit zijn ondernemingen geen winst geniet. De werkzaamheden in Nederland leiden daarom niet tot verzekering voor de Wlz.
1.6 Ten gevolge van het bestreden besluit is met een besluit van 29 december 2023 het AOW-pensioen vanaf augustus 2020 herzien en is de korting van 4 % vervallen.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank is van oordeel dat de Svb terecht heeft aangenomen dat appellant vanaf 9 augustus 2020 geen duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en daarom geen ingezetene meer was van Nederland. Ook heeft de Svb terecht vastgesteld dat appellant niet op grond van zijn werkzaamheden verzekerd is in Nederland.
De standpunten van partijen
3.1 Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat de Svb in 2017 heeft vastgesteld dat hij nog ingezetene van Nederland was en dat in zijn situatie sindsdien niets is veranderd. Hij heeft nog steeds een duurzame band met Nederland. Hij is enkele maanden per jaar in Nederland. Hij heeft ook nog steeds zakelijke activiteiten in Nederland en verricht werkzaamheden voor goede doelen. Ook zijn medische behandelingen vinden in Nederland plaats. Appellant vindt dat de Svb hem had moeten meedelen aan welke voorwaarden hij had moeten voldoen om de Wlz-verzekering te behouden bij wonen in het buitenland. Bovendien had hij gelijk met zijn AOW-besluit in 2020 een brief van de Svb moeten krijgen waarin is vermeld dat hij niet meer verzekerd was voor de Wlz. Hij had dan in 2020 een nieuwe particuliere verzekering kunnen afsluiten. Dat is nu moeilijker omdat hij veel medische zorg nodig heeft. De hele gang van zaken moet ertoe leiden dat de Svb hem ook vanaf 9 augustus 2020 voor de Wlz verzekerd acht.
3.2 Volgens de Svb is door tijdsverloop het ingezetenschap van Nederland verloren gegaan. De werkzaamheden die appellant in Nederland verricht, leiden niet tot verzekering voor de Wlz. Appellant krijgt voor zijn werkzaamheden geen vergoeding en heeft geen DGA-loon.
Het oordeel van de Raad
3 De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. De wettelijke regels en de beleidsregels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.1 Tussen partijen is in geschil of appellant vanaf 9 augustus 2020 verzekerd is voor de Wlz en daardoor ook voor de Zvw.
Juridisch kader
4.1.1 Verzekerd voor de Wlz is degene die ingezetene van Nederland is. Ingezetene in de zin van die wet is degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Verzekerd voor de Wlz is daarnaast degene die geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Ten slotte is verzekerd degene die niet in Nederland woont, maar in Nederland belastbare winst uit Nederlandse onderneming geniet, mits hij in Nederland arbeid verricht voor die onderneming.
4.1.2 De Svb stelt ambtshalve of op aanvraag de verzekering voor de Wlz vast.
4.1.3 Om te bepalen waar iemand woont moet acht moet worden geslagen op alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt erop aan of deze omstandigheden van dien aard zijn dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. Ook heeft de Hoge Raad overwogen dat waar iemand woont, naar de omstandigheden wordt beoordeeld en niet uit te sluiten is dat iemand tegelijkertijd zowel met Nederland als met een ander land zodanige duurzame betrekkingen van persoonlijke aard onderhoudt dat hij gezegd moet worden in beide landen te wonen. Een dergelijke dubbele woonplaats zal zich slechts in uitzonderlijke gevallen voordoen.
Ingezetenschap
4.3 Appellant bestrijdt niet dat hij in [plaats] woont. Hij vindt echter dat hij een zodanige duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft behouden dat hij ook als ingezetene van Nederland moet worden aangemerkt. Voor appellant is deze vaststelling met name van belang omdat hij als ingezetene van Nederland verzekerd is voor de Wlz en zijn zorgverzekering in Nederland kan behouden.
4.4 Appellant heeft zich op 25 november 2017 uitgeschreven uit de BRP van de gemeente Amstelveen in verband met zijn vertrek naar [plaats] . De Svb heeft appellant na zijn emigratie op grond van de destijds bekende gegevens vooralsnog als ingezetene aangemerkt en verzekerd geacht voor de Wlz. Onderzoek in 2023 naar de verzekeringspositie van appellant heeft ertoe geleid dat de Svb appellant niet meer als ingezetene aanmerkt vanaf 9 augustus 2020.
4.5 De vraag of appellant vanaf 9 augustus 2020 een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland heeft op grond waarvan hij als ingezetene kan worden aangemerkt, beantwoordt de Raad, evenals de rechtbank, ontkennend. Hierbij gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
4.6 Appellant heeft een binding met Nederland die voornamelijk bestaat uit zakelijke activiteiten. Hij is directeur van een makelaarskantoor, [naam makelaarskantoor] , en houdt zich naar eigen zeggen vanuit [plaats] bezig met huur en verhuur van woningen in Nederland en met vastgoedbeheer, aan- en verkoop van onroerend goed. Deze activiteiten vinden vanuit [plaats] plaats, digitaal of per telefoon. Hij is tevens belangenbehartiger van een beheerportefeuille voor familiebezit. Hij is bestuurder van diverse stichtingen. Hij krijgt voor zijn werkzaamheden geen honorarium of DGA-loon, noch is sprake van winst. Appellant betaalt geen belasting in Nederland. Appellant is drie maanden per jaar in Nederland. Hij heeft dan de beschikking over een bedrijfswoning. Zijn postadres in Nederland is het adres van zijn broer. Appellant heeft in Nederland een huisarts en mondhygiëniste en is onder behandeling bij medisch specialisten.
4.7 Uit het voorgaande is af te leiden dat appellant in ieder geval vanaf 9 augustus 2020 al jaren hoofdzakelijk in [plaats] verbleef en vanuit daar veel van zijn werkzaamheden verrichtte. In [plaats] beschikt appellant over een duurzaam tot zijn beschikking staande woonruimte. Het verblijf in Nederland is kortdurend en beperkt zich tot zakelijke en familiaire activiteiten en medische afspraken. Mede gelet op het tijdsverloop heeft de Svb terecht aanleiding gezien om vanaf 9 augustus 2020 geen duurzame band van persoonlijke aard van appellant met Nederland meer aan te nemen. De in aanmerking komende omstandigheden van dit geval, waaronder de op Nederland gerichte zakelijke activiteiten van appellant, zijn van onvoldoende gewicht om ook vanaf 9 augustus 2020 nog een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland – en daarmee woonplaats in Nederland aan te nemen.
Werkzaamheden
4.8 Ook de werkzaamheden die appellant in Nederland heeft verricht, leiden niet tot verzekering voor de Wlz. Er is geen sprake van werkzaamheden op grond waarvan appellant aan de loonbelasting is onderworpen dan wel van belastbare winst uit Nederlandse onderneming.
Rechtszekerheidsbeginsel
4.9 Aan het besluit van 17 november 2017 kon appellant niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat zijn verzekeringspositie voor de Wlz niet in de loop van de tijd kon wijzigen. Dit besluit heeft immers slechts een declaratoire (rechtsvaststellende) werking ten aanzien van de verzekeringspositie van appellant op dat moment. Zoals ook in het besluit is vermeld, is appellant op grond van de destijds door hem verstrekte gegevens vooralsnog als ingezetene aangemerkt. In de besluitvorming valt dus een voorbehoud te lezen dat niet valt uit te sluiten dat na verloop van tijd een andere weging van de feiten en omstandigheden leidt tot een veranderde verzekeringspositie voor de Wlz. De Svb heeft aan appellant toegegeven dat het beter was geweest als ten tijde van het AOW-besluit in 2020 ook een besluit over de verzekering voor de Wlz was afgegeven, zodat appellant direct maatregelen had kunnen treffen. Dit gegeven kan er echter niet toe leiden dat appellant in strijd met een dwingendrechtelijk wettelijk voorschrift vanaf 9 augustus 2020 verzekerd moet worden geacht voor de Wlz.
Conclusie en gevolgen
4.10 Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en G. Boot en A. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van A.M. van Oorschot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2026.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) A.M. van Oorschot
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van de begrippen verzekerde en ingezetene.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels en beleidsregels
Wet langdurige zorg (Wlz)
Artikel 1.2.1
Ingezetene in de zin van deze wet is degene, die in Nederland woont.
Artikel 1.2.2, eerste lid
Waar iemand woont en waar een lichaam gevestigd is, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
Artikel 2.1.1
Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet is degene, die:
a. ingezetene is;
b. geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.
(…)
Artikel 2.1.3
De Sociale verzekeringsbank stelt ambtshalve en, desgevraagd, op aanvraag vast of een natuurlijke persoon voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 2.1.1 of 2.1.2 vastgestelde voorwaarden voor het verzekerd zijn ingevolge deze wet.
Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746)
Artikel 9
Verzekerd op grond van de volksverzekeringen is de persoon die niet in Nederland woont en die belastbare winst uit Nederlandse onderneming als bedoeld in afdeling 7.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geniet, mits hij in Nederland arbeid verricht voor die onderneming.
Beleidsregel SB 1027
Einde verplichte verzekering na vertrek uit Nederland
Indien een ingezetene uit Nederland vertrekt, heeft dit niet altijd tot gevolg dat de verzekering direct eindigt omdat als uitgangspunt geldt dat de band met Nederland, na vertrek naar het buitenland, slechts geleidelijk verdwijnt (zie bijvoorbeeld CRvB 15 juni 1994 en 22 juni 1994). Of de band met Nederland verbroken is, stelt de SVB vast op basis van het totaalbeeld van de feiten, waaruit in het concrete geval moet blijken of de betrokkene zijn woonplaats in Nederland heeft opgegeven. De SVB beoordeelt dit aan de hand van dezelfde criteria als die welke gelden voor ingezetenschap in Nederland (Zie SB1022 over ingezetene en wonen).
In dit verband onderscheidt de SVB drie situaties:
Betrokkene vertrekt uit Nederland met het voornemen om zich definitief in een ander land te vestigen. In dat geval geldt dat het ingezetenschap eindigt op de datum volgend op die van het feitelijk vertrek uit Nederland. Of het vertrek een definitief karakter heeft, moet blijken uit het totaal beeld van alle relevante omstandigheden.
Betrokkene heeft het voornemen om minder dan een jaar buiten Nederland te verblijven. In die situatie geldt dat het ingezetenschap niet eindigt, mits het - voorgenomen - verblijf buitenslands bedoeld is tijdelijk te zijn. Of sprake is van een tijdelijk verblijf buiten Nederland van minder dan een jaar moet blijken uit het totaalbeeld van alle relevante omstandigheden.
Betrokkene heeft het voornemen om langer dan een jaar buiten Nederland te verblijven en het vertrek heeft geen definitief karakter.
In de laatste situatie geldt als uitgangspunt dat naarmate betrokkene langer buiten Nederland verblijft het waarschijnlijk is dat de band met Nederland minder sterk wordt. In gevallen waarin het onderzoek naar de feitelijke omstandigheden niet leidt tot de conclusie dat sprake is van een definitief verblijf in het buitenland beschouwt de SVB betrokkene het eerste jaar na het feitelijk vertrek uit Nederland (nog) als ingezetene. Na dat jaar beschouwt de SVB het ingezetenschap als geëindigd, tenzij betrokkene zelf aantoont dat de feitelijke omstandigheden het (voorlopig) handhaven van het ingezetenschap rechtvaardigen. Als drie jaar zijn verlopen na de datum van vertrek uit Nederland, beschouwt de SVB het ingezetenschap zonder meer als geëindigd. De periode van verblijf buiten Nederland heeft dan zo lang geduurd, dat betrokkene niet langer geacht wordt een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland te hebben. Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen maakt de SVB op deze regel een uitzondering.
Indien met toepassing van voorgaande beleidsregels op de datum van vertrek uit Nederland vaststaat dat het ingezetenschap verloren zal gaan, dan merkt de SVB - ongeacht de vraag of de belanghebbende het voornemen heeft zich permanent in het buitenland te vestigen – het vertrek uit Nederland direct als definitief aan.
Indien vreemdelingen naar het buitenland vertrekken, kan dit al eerder dan na ommekomst van de genoemde termijnen negatieve gevolgen hebben voor de verblijfstitel. Indien de verblijfstitel komt te vervallen kan de vreemdeling sinds 1 juli 1998 niet meer op grond van ingezetenschap verzekerd zijn.