CRvB 3 juni 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:903
Intrekking. Vermogen. Woning. Beschikkingsmacht. Nader besluit. Geen toepassing art. 50 PW. Appellant had als mede-eigenaar van de woning mede de beschikkingsmacht over de woning. Dat appellant niet financieel heeft bijgedragen maakt dat niet anders. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in deze beschikkingsmacht was beperkt en dat hij zijn aandeel in de woning niet kon verkopen. De beroepsgrond dat de waarde van de woning veel lager is dan de waarde in het economische verkeer omdat de woning in bewoonde/verhuurde staat verkocht moet worden, slaagt niet. In art. 34 lid 1 onder a PW is ondubbelzinnig bepaald dat de waarde van de bezittingen wordt vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering. Het college heeft zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat art. 50 lid 1 PW in het geval van appellant toepassing mist. Vaststaat en tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet woonde in de woning waarvan hij het mede-eigendom heeft. Ook staat vast dat appellant een alleenstaande is. Aan de toepassingsvoorwaarden van voornoemde bepaling wordt in een dergelijke situatie niet voldaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl