CRvB 21 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:922
Herziening en terugvordering. Appellant heeft niet betwist dat hij niet bij het Uwv heeft gemeld dat hij was gaan studeren. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat dit feit van invloed kon zijn op het recht op Wajong. Appellant heeft dan ook de op hem rustende inlichtingenverplichting van artikel 2:7, eerste lid, van de Wajong geschonden, zodat het Uwv zijn beleid als neergelegd in artikel 3, tweede lid, van het Beleid consistent heeft toegepast. De beroepsgrond dat de schending van de inlichtingenverplichting appellant niet kan worden aangerekend vanwege zijn beperkingen slaagt niet. De gestelde omstandigheid dat appellant door de gedeeltelijke terugvordering van de Wajong-uitkering in de periode van studie achteraf gezien onder het bestaansminimum komt omdat hij de toelage op grond van de Wtos naar zijn zeggen zal moeten terugbetalen, is geen dringende reden als in de rechtspraak bedoeld. Boete. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het Uwv heeft aangetoond dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn inkomsten en studie. De rechtbank heeft eveneens terecht geoordeeld dat appellant van het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een verwijt kon worden gemaakt. Gelet hierop was het Uwv gehouden met toepassing van artikel 2:69, eerste lid, van de Wajong een boete aan appellant op te leggen. De opgelegde boete van € 40,- is evenredig aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de overige over appellant gebleken omstandigheden. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover aangevochten.
De uitspraak op rechtspraak.nl