CRvB 21 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1848
Appellant kan worden gevolgd in zijn stelling dat een reisvoorziening onder omstandigheden kan worden toegekend los van de basisvoorziening. Deze vaststelling is echter niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of appellant in aanmerking komt voor een reisvoorziening. Daartoe moet immers ook aan de andere voorwaarden zijn voldaan, waaronder de nationaliteitseis. Omdat artikel 11.5, tweede lid, van de Wsf 2000 eraan in de weg staat dat onder toepassing van de hardheidscalusule van artikel 2.2 van de Wsf 2000 wordt afgeweken, is het binnen de kaders van de Wsf 2000 niet mogelijk om aan appellant een reisvoorziening te verstrekken. Naar nationaal recht komt appellant daarom niet voor een reisvoorziening in aanmerking. De gevraagde voorziening kan (en moet) slechts aan appellant worden verstrekt als er aanleiding is de stelling van appellant te volgen dat verdragsrecht hiertoe dwingt. Daarover wordt het volgende overwogen. De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om het niet toekennen aan appellant van een reisvoorziening op grond van de Wsf 2000 op grond van het feit dat appellant geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft in de zin van artikel 3 van het Besluit, in strijd te achten met het door artikel 2 van het EP gegarandeerde recht op onderwijs. Een positieve verplichting voor de Minister om aan appellant in weerwil van de wettelijke bepalingen een reisvoorziening toe te kennen, kan niet uit artikel 2 van het EP worden afgeleid. Voor zover met de weigering een reisvoorziening toe te kennen een beperking op het recht op onderwijs als gegarandeerd in artikel 2 van het EP is gemaakt, is het recht op onderwijs niet in de kern aangetast. Appellant kon voor zijn opleiding ingeschreven staan en deze opleiding volgen. De belangen van appellant, voor zover deze kunnen worden ontleend aan artikel 3 van het IVRK, zijn bij de totstandkoming van de weigering om de reisvoorziening toe te kennen en tijdens de procedure hierover onderkend en, ook binnen de kaders van artikel 28 van het IVRK, voldoende meegewogen. De situatie van appellant is ook niet zo bijzonder dat de minister in het voorliggende geval van dat uitgangspunt had moeten afwijken, reeds omdat niet is gebleken dat appellant niet had kunnen kiezen voor een andere opleiding in de nabijheid van zijn woonadres. Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat de minister de aanvraag van appellant mocht afwijzen. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met enige verbetering en aanvulling van de gronden waarop deze rust.
De uitspraak op rechtspraak.nl