CRvB 26 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2012

Uit wat appellant heeft aangevoerd, volgt niet dat het weigeren van het achteraf alsnog toekennen van een reisvoorziening in strijd is met artikel 2 van het EP gegarandeerde recht op onderwijs. Appellant heeft niet onderbouwd hoe het ontbreken van de reisvoorziening het recht op onderwijs in zijn geval in de kern is aangetast. De enkele grond dat hij daarvoor kosten heeft gemaakt, is daarvoor onvoldoende. Daar komt bij dat appellant voorafgaand aan het volgen van de mbo-opleiding heeft kunnen voorzien dat hij geen aanspraak zou maken op de reisvoorziening. De beroepsgrond slaagt niet. Voor zover appellant in hoger beroep heeft herhaald dat het onderscheid niet objectief gerechtvaardigd is, wordt gewezen op de uitvoerige bespreking daarvan in de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft gemotiveerd waarom de hierop betrekking hebbende gronden niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft in hoofdlijnen de overwegingen die tot het oordeel daarover in de aangevallen uitspraak hebben geleid. Het betoog van appellant dat de rechtbank is uitgegaan van een onjuiste beoordelingsmarge slaagt niet. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep van appellant terecht ongegrond heeft verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken