CRvB 16 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1770
Bevoegdheid. De Raad stelt vast dat de Svb voordat de Regeling van kracht werd, op eigen naam het besluit van 25 juli 2016 en bestreden besluit 1 heeft genomen en proceshandelingen heeft verricht. Omdat de minister de Svb hiertoe met terugwerkende kracht alsnog heeft gemachtigd, is er – naast de bekrachtiging in de brief van 23 november 2017 – ook om deze reden bij aangevallen uitspraak 1 terecht van uitgegaan dat de Svb in dit geding namens de minister heeft gehandeld. Het aanvankelijke gebrek in de mandatering van de Svb is bij de aangevallen uitspraak 1 terecht met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd, omdat hierdoor niemand is benadeeld. Wat appellant hierover heeft aangevoerd treft geen doel. Over de periode vanaf 1 mei 2010 is de Svb aan te merken als de voor Nederland bevoegde autoriteit op grond van artikel 1, onderdeel p en q, van Vo 883/20044 en de Regeling. Regularisatie. De Raad heeft reeds eerder5 geoordeeld dat het beleid van de Svb niet onredelijk is. Bepalend is of in de correspondentie van de Belastingdienst inhoudelijk juiste en toereikend gemotiveerde informatie wordt verstrekt op basis waarvan de betrokkene er meer dan voorheen rekening mee moet houden dat hij verzekerd zal worden geacht voor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. Er is geen reden om daar nu anders over te oordelen. Dit betekent voor dit geding dat appellant door de brief van de Belastingdienst van 3 februari 2009 er meer dan voorheen rekening mee moest houden dat hij, zolang zijn arbeidssituatie gelijk bleef, verzekerd zou worden geacht voor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving en dat premieafdracht in Nederland moest plaatsvinden. Dit standpunt van de Belastingdienst is herhaald in het besluit op bezwaar van 10 april 2009. De rechtbank heeft in aangevallen uitspraak 2 dus terecht geoordeeld dat de Svb op juiste gronden geen bijzondere omstandigheden heeft aangenomen. Wat in hoger beroep nog is aangevoerd kan evenmin als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Deze hoger beroepsgronden tegen de aangevallen uitspraken 1 en 2 slagen niet. Bestreden besluit 2. Appellant heeft wel aan de Svb schriftelijk gevraagd om vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:90, tweede lid, van de Awb. De Svb was niet bevoegd om het bezwaar tegen het besluit van 19 augustus 2016 ontvankelijk te verklaren en er vervolgens inhoudelijk op te beslissen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vervolgens moet bezien worden hoe de procedure moet worden voortgezet. Het eerste bezwaarschrift is door de Svb ontvangen op 8 augustus 2016. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade dateert van 14 juli 2016. Vastgesteld moet worden dat toen de redelijke termijn nog niet was begonnen en dus ook niet overschreden kon zijn. Dat de periode tussen de aanvragen en het uiteindelijke besluit lang is geweest, doet hier niet aan af. Hieruit volgt dat aan appellant op deze grond geen immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toekomt. Dwangsom. Appellant kan aan artikel 4:17 van de Awb geen aanspraak ontlenen op een dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om schadevergoeding. Beroep niet tijdig beslissen. Partijen zijn het erover eens dat de vraag of de Svb terecht heeft geweigerd aan regularisatie voor het jaar 2012 mee te werken, bij de rechtbank ZeelandWestBrabant zal worden beoordeeld, omdat het beroep daar in behandeling is. De rechtbank heeft terecht geen dwangsom wegens het niet tijdig beslissen op deze aanvraag toegekend. Conclusie. Aangevallen uitspraak 1 zal worden vernietigd voor zover het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard. Voor het overige zal aangevallen uitspraak 1 worden bevestigd. Het verzoek om vergoeding van immateriële schade zal worden afgewezen. Aangevallen uitspraak 2 zal worden bevestigd. Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.
De uitspraak op rechtspraak.nl