CRvB 28 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:165
Appellant heeft aangevoerd dat het door de rechtbank als hoofdregel aangemerkte artikel 24b, derde lid, aanhef en onder a, van het AMAR ondergeschikt is aan de hoofdregel van artikel 24, vierde lid, van het AMAR. Deze beroepsgrond slaagt niet. In het geval van appellant doet zich de specifieke uitzondering voor van artikel 24b, derde lid, aanhef en onder a, van het AMAR, waaruit volgt dat een bevordering tot eerste luitenant plaatsvindt wanneer de effectieve rang van tweede luitenant gedurende twee jaren is uitgeoefend. Appellant heeft gesteld dat uit het bepaalde in artikel 3:11, zesde lid, aanhef en onder b, van de URAMAR volgt dat het ervaringsvereiste niet op hem van toepassing is en heeft er hierbij op gewezen dat uit de functiebeschrijving en de gegevens uit de vacaturebank blijkt dat eerste luitenant de rang is die bij zijn functie behoort. De Raad ziet hierin geen grond voor de conclusie dat het ervaringsvereiste niet op appellant van toepassing is. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351, is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel vereist dat de belanghebbende aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant hierin niet is geslaagd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl