CRvB 17 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2216

Niet in geschil is dat op grond van de toepasselijke nationale wettelijke bepalingen de pensioenpremies die door de voormalige werkgever van appellant zijn ingehouden buiten de berekening van het dagloon voor de WW dienen te worden gelaten. De Raad volgt de rechtbank in haar overweging dat deze wettelijke bepalingen en de strekking daarvan duidelijk zijn. De beroepsgrond slaagt dan ook niet. Voorts heeft appellant een beroep gedaan op het Verdrag 102 betreffende minimum-normen van sociale zekerheid van 28 juni 1952 (ILO-conventie 102). De Raad wijst er in de eerste plaats op dat ILO-conventie 102 een instructiekarakter draagt en gericht is aan de verdragsluitende partijen, wat doorgaans in de weg zal staan aan de mogelijkheid van het inroepen van een rechtens afdwingbare aanspraak op een concrete prestatie in een individueel geval. Appellant kan dus geen rechtstreeks beroep doen op de bepalingen inzake werkloosheid in ILO-conventie 102. Het beroep op het EVRM kan niet slagen. Niet is gebleken dat er sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld. Het hoger beroep slaagt niet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken