CRvB 5 augustus 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4268
Export van uitkeringen. Weigering kinderbijslag ten behoeve van in Westelijke Sahara wonend kind. Geen sprake van herhaalde aanvraag. De Westelijke Sahara is door Marokko geannexeerd en deze annexatie heeft volkenrechtelijk geen betekenis. De verdragen met Marokko zijn alleen van toepassing op het territorium van die staat en niet op enig door Marokko geannexeerd gebied als de Westelijke Sahara. De Staat heeft met de voorwaarde zoals neergelegd in artikel 7b van de AKW, inhoudende dat voor een in het buitenland wonend kind slechts dan kinderbijslag wordt toegekend indien dit kind woont in een land waarmee een handhavingsverdrag is gesloten, geen ontoelaatbaar onderscheid naar woonplaats gemaakt, getoetst aan artikel 14 van het EVRM in samenhang met artikel 1 van het EP. Beleid inzake export uitkeringen naar land waarmee nog geen verdrag is gesloten, is op consistente wijze toegepast. Gezien de ruime ‘margin of appreciation’ kan niet gesteld worden dat de Nederlandse Staat gehouden was en is alsnog het sluiten van een verdrag met een aantal landen te bevorderen, dan wel te handelen alsof er wel een verdrag is gesloten. In het licht van de doelstelling van de Wet BEU is hierbij niet van doorslaggevend belang dat slechts een relatief gering aantal (potentieel) gerechtigden getroffen wordt door de effecten van de Wet BEU. Voor de AOW en de ANW geldt een Pardonregeling, die niet voor de AKW geldt. Geen sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Geen sprake van schending van het eigendomsrecht (ex art. 1 EP). Beroep op arrest EHRM in de zaak Asmundsson slaagt niet. Het invoeren van de Wet BEU is niet gericht op bezuinigingen, maar op de controle van de rechtmatigheid van uitkeringen. Van de afwenteling door de Staat van een last op een beperkt aantal getroffenen is dan ook in het geheel geen sprake. Voorbehoud gemaakt bij art. 26 IVRK. Geen rechtstreekse werking op art. 27 lid 3 IVRK.
De uitspraak op rechtspraak.nl