CRvB 26 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2011

De diplomatermijn is bij appellante aangevangen op 1 september 2006, zodat deze op 31 augustus 2016 is geëindigd. Appellante heeft het afsluitend examen niet voor laatstgenoemde datum met goed gevolg behaald. Gelet op artikel 5.7, derde lid, van de Wsf 2000 is omzetting van de genoten prestatiebeurs daarom in beginsel pas mogelijk als de diplomatermijn wordt verlengd, in het voorliggende geval op basis van de regeling die is neergelegd in artikel 5.16, eerste en vijfde lid, van de Wsf 2000. Toetsingskader, vaste rechtspraak. De bij appellante ontstane studievertraging is volgens de UvA niet het gevolg van bijzondere omstandigheden, maar van appellantes (eigen) planning om de studie versneld af te ronden. De Raad wijst voor het hier aan de orde zijnde beoordelingskader ook op zijn uitspraak van 29 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1656. De weigering van de beslissingsbevoegde studentendecaan om een ondersteunende verklaring over de studievertraging af te geven is gemotiveerd en de motivering is inzichtelijk en consistent. Hieruit volgt dat niet is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 5.16 van de Wsf 2000. Appellante wordt niet gevolgd in haar in hoger beroep herhaalde standpunt dat zij uit het feit dat haar oorspronkelijke verzoek om omzetting prestatiebeurs, met inachtneming van haar situatie, is ‘getransformeerd’ naar een verzoek verlenging diplomatermijn, het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat haar verzoek zou worden gehonoreerd. De minister heeft het verzoek om verlenging van de diplomatermijn mogen afwijzen en die afwijzing mocht bij het bestreden besluit worden gehandhaafd. De rechtbank is terecht tot datzelfde oordeel gekomen. Dat brengt mee dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met enige verbetering en aanvulling van de gronden waarop deze rust.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken