CRvB 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3478
Herleving maatregel van blijvend gehele weigering. Zowel het besluit van 9 november 2015 als het besluit van 22 december 2015 zien op de blijvend gehele weigering van de WW-uitkering in verband met hetzelfde recht dat is ontstaan op de eerste werkloosheidsdag en na eindiging weer is herleefd op 4 december 2015. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, konden de inhoud van de maatregel en de gronden waarop die berust daarom door appellant niet meer worden aangevochten. Daarmee was het Uwv op grond van artikel 28 van de WW gehouden om met ingang van 4 december 2015 de eerder opgelegde maatregel voort te zetten. Geen sprake van een onevenwichtige afweging tussen de gediende gemeenschapsbelangen en het ingeroepen fundamentele recht, dan wel dat er geen proportionaliteit bestaat tussen de gekozen middelen en het beoogde doel. Onder deze omstandigheden is er geen sprake van dat appellant door de inbreuk op zijn eigendomsrecht een onevenredig zware last dient te dragen. Herleving van de maatregel is niet in strijd is met art. 1 EP bij het EVRM. Geen sprake van een schending van art. 6 EVRM.
De uitspraak op rechtspraak.nl