CRvB 18 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:439
Bij besluit van 7 december 2012 heeft het Uwv appellant per 21 november 2012 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering en tevens bepaald dat deze per die datum blijvend geheel geweigerd wordt op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden. Het betoog van appellant dat deze WW-uitkering per 1 januari 2013 tot uitbetaling moet komen omdat zijn arbeidsovereenkomst met werkgeefster, indien hij niet akkoord zou zijn gegaan met beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 21 november 2012, van rechtswege zou zijn geëindigd per 1 januari 2013, slaagt niet. Appellant had deze grond, die feitelijk inhoudt dat de opgelegde maatregel in tijdsduur beperkt had moeten blijven tot 1 januari 2013, moeten aanvoeren in een procedure tegen het besluit van 7 december 2012. Nu hij geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen dit besluit moet bij de beslechting van onderhavig geschil uitgangspunt zijn dat het Uwv appellant bij dit besluit in aanmerking heeft gebracht voor een WW-uitkering, maar tevens een maatregel van blijvend gehele weigering heeft opgelegd. Dit betekent dat het Uwv na de herleving van het WW-recht per 1 januari 2013 op grond van artikel 28 van de WW gehouden was de bij besluit van 7 december 2012 opgelegde maatregel voort te zetten. Dit betekent dat het Uwv terecht per 1 januari 2013 niet tot uitbetaling van de WW-uitkering is overgegaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl