CRvB 21 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1846

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat, nu appellant niet wilde instemmen met buitengewoon verlof en zijn werkzaamheden wilde voortzetten, zoals hij ook ter zitting van de Raad heeft verklaard, het algemeen bestuur hem in redelijkheid heeft kunnen schorsen. Een schorsing in het belang van de dienst is in beginsel neutraal en niet diffamerend voor de ambtenaar die de schorsing treft. Omdat in de maatregel tot schorsing is bepaald dat appellant is geschorst voor de duur van het onderzoek en het noodzakelijke nadere beraad tot aan een volgend besluit en het algemeen bestuur onderbouwd heeft uiteengezet dat en hoe aan dit nader beraad invulling is gegeven, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de schorsing in duur beperkt had moeten worden tot 1 oktober 2016.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken