CRvB 16 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:898

Bij besluit van 19 januari 2012 is de WAO-uitkering die appellant vanaf 2002 ontvangt, met toepassing van artikel 44, eerste lid, van de WAO met ingang van 30 november 2011 verlaagd tot € 500,10 per maand. De onverschuldigd betaalde uitkering ten bedrage van € 589,10 bruto is terug- en ingevorderd. De WAO-uitkering is niet ingetrokken of herzien, maar uitbetaald als ware sprake van arbeid bedoeld in artikel 18, vijfde lid, WAO. Niet is gebleken dat dit besluit op onjuiste gronden is genomen. Gelet op dit besluit is er een te hoog bedrag aan uitkering aan appellant betaald en bevat artikel 57, eerste lid, van de WAO een dwingendrechtelijke bepaling die het Uwv tot terugvordering verplicht. Ook in 2003 zijn appellants inkomsten van invloed zijn geweest op de hoogte van de uitkering. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat appellant redelijkerwijs kon weten dat het hebben van inkomsten gevolgen kon hebben voor (de hoogte van) zijn uitkering. Van door het Uwv opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen dat dit niet het geval zou zijn is geen sprake. Het gegeven dat hij de wijziging met betrekking tot het hebben van inkomsten tijdig heeft doorgegeven, maar deze in de maand daarop nog niet was verwerkt, maakt evenmin dat appellant erop mocht vertrouwen dat het Uwv niet zou terugvorderen. Terugvordering vindt plaats op basis van het bruto bedrag, indien sprake is van een tijdvak dat inmiddels in fiscale zin is afgesloten. Dit is een niet onjuiste handelwijze volgens vaste rechtspraak, verwijzing naar bijv. ECLI:CRVB:2010:BO4405 en ECLI:CRVB:2010:BL7844). Van een dringende reden om van terugvordering af te zien is niet gebleken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken