CRvB 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4216

Opheffing functie. Arbeidsongeschikt. Afwijzing aanvraag om de niet opgenomen vakantiedagen over 2008, 2009 en 2010 alsnog uit te betalen. Vast staat dat appellante in de periode van 8 mei 2009 tot aan de datum van het ontslag, 16 april 2010, volledig arbeidsongeschikt was en dat in die periode geen afspraken zijn gemaakt over het al dan niet opnemen van vakantieverlof. Verder geven de beschikbare gegevens geen aanwijzingen dat appellante ondanks haar volledige arbeidsongeschiktheid in deze periode daadwerkelijk vakantie heeft genoten. Aan de e-mail van appellante van 27 juli 2010 gericht aan personeelszaken, waarin zij meldt dat zij bijna met vakantie is, komt geen betekenis toe, reeds omdat deze e-mail geen betrekking heeft op de periode van 8 mei 2009 tot 16 april 2010. Nu aldus moet worden aangenomen dat appellante in die periode als gevolg van haar volledige arbeidsongeschiktheid geen gebruik heeft kunnen maken van haar recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat artikel 7 van de richtlijn niet in de weg staat aan het vervallen van (de uitbetaling van) verlofdagen op grond van de CAO NU en de Regeling. Opdracht tot het nemen van nieuw besluit en besluit inzake toekenning wettelijke rente.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken