CRvB 7 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW8648
Aan appellante is meegedeeld dat haar functie wordt opgeheven. Appellante is ontslag verleend o.g.v. art. 8.4 lid 1 van de CAO. Raad: Het college heeft voldoende onderbouwd dat de functie van appellante op 31 december 2009 daadwerkelijk is opgeheven. T.a.v. het ontslagbesluit heeft de Raad overwogen dat het college niet met recht kan worden verweten onvoldoende activiteiten te hebben verricht om appellante in staat te stellen in ander passend werk aan de slag te kunnen gaan. De aan appellante aangeboden faciliteiten vormen daartoe in elk geval een goede basis. Appellante heeft echter van die faciliteiten geen gebruik gemaakt. In dit verband is in het bijzonder van belang dat appellante het aanbod is gedaan te solliciteren naar de functie van hoofd communicatie bij een faculteit van de universiteit. Op dit aanbod is appellante om haar bewegende redenen in het geheel niet ingegaan. Dit had wel op haar weg gelegen, al was het maar om telefonisch die redenen aan te kaarten. Dat haar ziekte bij een en ander een rol heeft gespeeld, kan niet leiden tot de conclusie dat het college moet worden verweten onvoldoende activiteiten tot herplaatsing van appellante heeft verricht. Het betoog van appellante dat haar ziekte een ontslagverbod oplevert, kan niet worden gevolgd. Art. 3, lid 3, aanhef en onder e, van de hier geldende Ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregeling houdt immers - samengevat - in dat tijdens verlof wegens ziekte op grond van gewichtige redenen tot beëindiging van het dienstverband kan worden overgegaan, onder andere in verband met een opheffing van de functie. Dit is hier aan de orde. Het college was dus bevoegd appellante te ontslaan, zoals het heeft gedaan. Het college is in redelijkheid tot dat besluit kunnen komen.