CRvB 19 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1709

Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant nog wel procesbelang heeft bij het verkrijgen van een oordeel over besluit 2. De Raad is van oordeel dat alleen al de aan appellant verweten gedragingen betreffende het autogebruik het voorwaardelijk strafontslag kunnen dragen. Na het opleggen van het voorwaardelijk strafontslag is appellant blijven volharden in zijn weigering om te voldoen aan de instructie betreffende het autogebruik. Dit leverde in beginsel de bevoegdheid op tot tenuitvoerlegging van de opgelegde straf. Gezien de beschreven achtergrond kan niet worden gezegd dat de gekozen schorsing rechtens onjuist is te achten. De verlengingen van de schorsing houden in rechte stand op grond van een aantal factoren, die bij de werkgever tot vertrouwensverlies hadden geleid. De Raad heeft eerder overwogen dat bij een ontslag op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO als uitgangspunt geldt dat, naast (de garantie op) een werkloosheidsuitkering, een aanvullende uitkering moet worden toegekend. Deze uitkering is dus ten onrechte aan appellant onthouden. Dat het college geen reden heeft gezien voor toekenning van de compensatie, is niet onjuist te achten. Ook het niet toekennen van een na-wettelijke uitkering is niet als onjuist te beschouwen. Toekenning pkv en gr.recht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken