CRvB 11 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4155
1) Onvoorwaardelijk ontslag wegens zeer ernstig plichtsverzuim bestaande uit het ontvangen van een te hoge vergoeding voor woon- werkverkeer, het ten onrechte declareren van maaltijdvergoedingen en het zonder toestemming en ten onrechte gebruikmaken van de dienstauto voor privédoeleinden, dan wel woon- werkverkeer. Twee van de drie verweten gedragingen zijn terecht als plichtsverzuim aangemerkt en er is gelet op de psychische gesteldheid van appellant, sprake van een verminderde toerekenbaarheid. De straf van onvoorwaardelijk ontslag is niet evenredig is aan de ernst van het - immers in verminderde mate aan appellant toe te rekenen - plichtsverzuim. 2) Schorsing. Concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim. 3) Inhouding bezoldiging. De staatssecretaris heeft de gedeeltelijke inhouding van de bezoldiging van appellant met één derde voortgezet gedurende het onderzoek. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door deze inhouding in onoverkomelijke financiële problemen is geraakt.
De uitspraak op rechtspraak.nl