CRvB 19 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3857

Het college heeft de aanvraag van betrokkene 1 voor de normwijziging afgewezen op de grond dat betrokkene 2 niet met een Nederlander kan worden gelijkgesteld en zodoende geen rechthebbende is in de zin van art. 11 van de WWB. Raad: Niet in geschil is dat betrokkene 2 in de periode, direct voorafgaande aan de te beoordelen periode rechtmatig verblijf had op grond van art. 8, onderdeel e, van de Vw 2000. Partijen zijn verdeeld over de vraag of met de aanvraag om bijstand de rechtmatigheid van het verblijf van betrokkene 2 hier te lande ontvalt. Bij de beantwoording hiervan is het volgende van belang. Onderzocht dient te worden of betrokkene 2 een verblijfsrecht kan ontlenen aan art. 21 van het VWEU. Zolang en indien het onderzoek naar de voorwaarden en beperkingen van de Richtlijn en de ter uitvoering daarvan beoogde nationale wet- en regelgeving niet heeft uitgewezen dat daaraan niet is voldaan, wordt het uit art. 21 van het VWEU voortvloeiende recht van verblijf aangenomen. Hoewel het de primaire verantwoordelijkheid van - thans - de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie is om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven, brengt het beginsel van Unietrouw, zoals verwoord in art. 10 van het EG-Verdrag, thans art. 4, lid 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, met zich dat de autoriteiten van de lidstaten met elkaar in overleg treden met het oog op een nuttige toepassing van het Unierecht. Dit geldt des te meer voor autoriteiten binnen een lidstaat. Het ligt dan ook bij de beoordeling van het recht op bijstand op de weg van het college om, aan de hand van door betrokkene 2 verstrekte en zo nodig alsnog te verstrekken informatie, in overleg met de staatssecretaris te onderzoeken of betrokkene 2 aan het recht van de Unie een verblijfsrecht hier te lande kan ontlenen. Vergelijk in dit verband de uitspraak van de ABRvS van 14 november 2007, LJN: BB7789. Van rechtmatig verblijf in de zin van art. 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 dient te worden uitgegaan, zolang door de staatssecretaris geen besluit is genomen over de beëindiging van het verblijfsrecht van betrokkene 2. Vergelijk in dit verband ook de uitspraak van de ABRS van 7 juli 2003, LJN: AI0903. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het college niet bevoegd was om zelfstandig vast te stellen dat betrokkene 2 geen verblijfsrecht (meer) heeft. Het college had daarover in overleg moeten treden met de staatssecretaris. Door dit na te laten heeft het college het bestreden besluit niet met de nodige zorgvuldigheid voorbereid. Het college heeft de afwijzing van de aanvraag ten onrechte gebaseerd op de grond dat betrokkene 2 als gevolg van de aanvraag om bijstand niet langer rechtmatig verblijf houdt in Nederland en als gevolg daarvan geen rechthebbende is in de zin van art. 11, lid 2 van de WWB. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak komt, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking. Dit betekent dat appellant na het noodzakelijke overleg met de bevoegde bewindspersoon gehouden blijft om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen