CRvB 15 juni 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1419
Beëindiging. Afwijzing nieuwe aanvragen. Rechtmatig verblijf in Nederland. Vaststaat dat het verblijfsrecht van appellante is herleefd als gevolg van haar werkzaamheden in loondienst in de periode van 17 juli tot en met 30 september 2017. Van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000 dient te worden uitgegaan, zolang de staatssecretaris geen besluit heeft genomen over de beëindiging van het verblijfsrecht. De staatssecretaris heeft pas bij besluit van 28 november 2018 beslist dat het rechtmatig verblijf van appellante is geëindigd. Dat het college voorafgaand aan de besluitvorming overleg heeft gehad met de IND, maakt dit niet anders. Nu de staatssecretaris pas bij besluit van 28 november 2018 heeft beslist dat het rechtmatig verblijf van appellante is geëindigd, dient ervan te worden uitgegaan dat appellante op 27 april 2018 nog rechtmatig verblijf had in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Er was op 27 april 2018 dan ook geen grond voor beëindiging van het recht op bijstand. Dit brengt mee dat aan de aanvragen om bijstand van 26 juni 2018, 9 juli 2018 en 28 augustus 2018 de grondslag is komen te ontvallen. Achteraf moet immers worden vastgesteld dat appellante geen nieuwe aanvragen om bijstand had hoeven doen. Dit betekent dat ook de grondslag aan de afwijzingsbesluiten is komen te ontvallen.
De uitspraak op rechtspraak.nl