CRvB 9 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2094
Op 14 september 2010 heeft appellant opnieuw een aanvraag tot toekenning van een Wajong-uitkering bij het Uwv ingediend. Bij besluit van 4 oktober 2010 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de aanvraag als een verzoek om terug te komen van de eerdere besluiten wordt aangemerkt. Vervolgens heeft het Uwv appellant meegedeeld dat, nu niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden, niet wordt teruggekomen van het gestelde in de eerdere besluiten. Het Uwv had, naar het oordeel van de rechtbank, moeten onderzoeken of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong (Wet Amber). Bij bestreden besluit van 14 maart 2012 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij geen recht kan claimen op toekenning van een Wajong-uitkering op grond van de Wet Amber. Ter zitting van de Raad is namens appellant gesteld dat de omvang van het geding zich beperkt tot het door de rechtbank ongegrond verklaren van het beroep tegen het besluit van 14 maart 2012. De Raad is van oordeel dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet ingevolge artikel 3:21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet Wajong, in aanmerking komt voor een uitkering omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van het per einde wachttijd ongeschikt zijn voor het verrichten van zijn arbeid. Met het Uwv is de Raad van oordeel dat in het geval van appellant de in 2000 voor hem passend geachte functies aangemerkt dienen te worden als zijn arbeid, zoals bedoeld in het eerder genoemde artikel.
De uitspraak op rechtspraak.nl