CRvB 18 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK3730

Weigering Wajong-uitkering toe te kennen. De Raad stelt vast dat betrokkene aan het einde van de wachttijd niet ongeschikt was voor zijn arbeid. Met de hem bij het besluit van 22 september 2003 voorgehouden functies was betrokkene immers in staat om ten minste het minimumloon te verdienen, waaruit volgt dat hij geschikt was voor de maatmanarbeid. Betrokkene komt niet in aanmerking voor toekenning van een Wajong-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid aan het einde van de wachttijd. Evenmin is voldaan aan de voorwaarde dat betrokkene voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid ten minste zes maanden studerende was. De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komt, maar dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand kunnen blijven. Dat betekent dat het hoger beroep van het Uwv slaagt en de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, echter slechts voor zover daarbij aan het Uwv is opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen