CRvB 22 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1504
1) Schorsing en inhouding van bezoldiging. Op grond van de voorhanden zijnde gegevens bestond er voldoende grondslag voor een voornemen tot strafontslag. Daarbij is niet beslissend of van de beschikbare gronden een zodanige overtuigingskracht uitgaat dat daarop een strafontslag kan worden gebaseerd, maar of daaraan, bezien vanuit het standpunt van de staatssecretaris, voldoende gewicht kan worden toegekend om te komen tot het voornemen daartoe. 2) Strafontslag. Ambtenaar bij de Belastingdienst. Plichtsverzuim bestaande uit een onjuiste aangifte IB/PVV 2003 en het in strijd met artikel 61 van het ARAR niet melden dat nevenwerkzaamheden. Voor de beoordeling van de evenredigheid van de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag is van belang dat met het oog op het aanzien en de geloofwaardigheid van de Belastingdienst hoge eisen mogen worden gesteld aan de integriteit van ambtenaren van de Belastingdienst, in het bijzonder bij het nakomen van hun fiscale verplichtingen. Gemeten aan deze hoge eisen is de opgelegde straf niet onevenredig te achten aan het door appellant gepleegde plichtsverzuim.
De uitspraak op rechtspraak.nl