CRvB 23 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4323

Tussenuitspraak. Het dagloon dat met in achtneming van de in de aangifte uitgedrukte vermindering van het verdiende loon met het terugbetaalde bedrag is vastgesteld, werkt, anders dan met betrekking tot een loonbelastingheffing het geval is, in beginsel door tot zich een eindigingsgrond van de uitkering voordoet. Door aldus te handelen wordt ten aanzien van appellante op onaanvaardbare wijze afbreuk gedaan aan de verzekeringsgedachte die ten grondslag ligt aan de WW en aan het beginsel dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van het welvaartsniveau van appellante. Het Uwv heeft dus een onjuiste toepassing gegeven aan artikel 2, eerste lid, van het Besluit, in verbinding met artikel 45, eerste lid, van de WW. Omdat het dagloon dat voor appellante geldt opnieuw zal moeten worden berekend door het Uwv ziet de Raad geen ruimte tot finale afdoening en zal de Raad het Uwv opdragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen