CRvB 20 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9874
Afwijzing aanvraag om bijstand. Niet in geding is dat verzoeker tijdens de te beoordelen perioden geen vreemdeling was in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt verzoeker onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering ingevolge de WWB worden toegekend. Met inachtneming van het primaat van de wetgever, en teneinde een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, kan de voorzieningenrechter ook thans - evenals in de uitspraak van de Raad van 22 november 2011, LJN BU6844 - tot geen andere conclusie komen dan dat een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen, niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven. Het is aan het COA om voor de Staat een eventuele positieve verplichting na te komen.
De uitspraak op rechtspraak.nl