CRvB 24 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW7449
Appellant heeft betrokkene, omdat zij gebruik zou gaan maken van de FPU-regeling, op haar verzoek met ingang van 1 juni 2009 ontslag verleend. Daarbij is meegedeeld dat betrokkene tegelijk met haar laatste salaris het tot de ontslagdatum opgebouwde tegoed aan vakantiegeld en eindejaarsuitkering ontvangt. Betrokkene heeft in bezwaar verzocht dit besluit in zoverre te herroepen dat aan haar alsnog een volledige en correcte eindafrekening wordt verstrekt van de door haar tot 1 september 2005 opgebouwde en nog niet genoten vakantiedagen (naar de Raad begrijpt: ongeveer 200 dagen). Appellant heeft het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 5 maart 2009 ongegrond verklaard. Volgens appellant ligt in de toepasselijke regelgeving besloten dat aanspraken op opgebouwde en nog niet genoten vakantiedagen niet (onbeperkt) blijven bestaan. Uit de van toepassing zijnde regels volgt onder meer dat openstaande vakantiedagen bij beëindiging van het dienstverband slechts worden uitbetaald indien het dienstbelang in de weg heeft gestaan aan opname van het verlof. Daarvan is in dit geval geen sprake. Nu betrokkene sinds 31 augustus 2005 is vrijgesteld van werkzaamheden is zij ruimschoots in de gelegenheid gesteld deze uren voorafgaande aan de beëindiging van het dienstverband op te nemen. Raad: De Raad ziet, anders dan de Rb., evenmin grond voor het oordeel dat het opnemen van vakantie niet verenigbaar is met het hebben van buitengewoon verlof. De rechtspraak van de Raad waarop betrokkene zich in dit verband heeft beroepen (CRvB 07-09-1989, LJN: AL7949, AB 1989, 488 en TAR 1989, 211 en CRvB 14-09- 1989, LJN: AN0851, AB 1990, 193 en TAR 1989, 213) leidt niet tot een ander oordeel. De hier bedoelde rechtspraak heeft betrekking op de mogelijkheid van samenloop van vakantieverlof en (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid. Van (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid is hier echter geen sprake. Appellant heeft in hoger beroep benadrukt dat betrokkene vier jaar lang met behoud van haar volledige rechtspositie is vrijgesteld geweest van de verplichting om arbeid te verrichten. Volgens appellant is betrokkene zo ruimschoots in de gelegenheid geweest haar vakantiedagen op te maken. Betrokkene is volgens appellant ook feitelijk in staat geweest vakantieverlof op te nemen en te genieten. De Raad kan appellant in grote lijnen volgen in dit betoog. Hij is van oordeel dat - zo het toepassingsbereik van art. 7, lid 1, van Richtlijn 2003/88 zich al uitstrekt tot een zaak als de onderhavige, waarbij de mogelijkheid van samenloop van buitengewoon verlof en vakantieverlof ter discussie staat - niet kan worden staande gehouden dat betrokkene niet daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van het haar door Richtlijn 2003/88 verleende recht gebruik te maken. Betrokkene heeft ter zitting desgevraagd ook bevestigd dat zij in de periode van 1 september 2005 tot 1 juni 2009 vakantiedagen kon opnemen; zij heeft elk jaar veertien dagen vakantieverlof genoten. Betrokkene heeft dit evenwel niet doorgegeven aan appellant teneinde deze dagen te laten afboeken van haar vakantietegoed. De reden hiervoor is volgens betrokkene de conflictsituatie zoals die is ontstaan na de mislukte onderhandelingen. Alles bijeengenomen kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat het bestreden besluit in strijd is met art. 7, lid 1, van Richtlijn 2003/88, zoals uitgelegd door het Hof in het arrest Schultz-Hoff e.a. (HvJEG 20 januari 2009, C-350/06 en C-520/06, LJN: BH0693).
De uitspraak op rechtspraak.nl