CRvB 29 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX6142

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag om buitenwettelijke hulp, meer specifiek om toepassing van de zogeheten bed-bad-brood regeling (bbb-regeling), ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat een beslissing op een verzoek om in aanmerking te komen voor opvang op grond van de bbb-regeling geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zoals de Raad in zijn uitspraak van 2 mei 2012, LJN BW5501, heeft geoordeeld wordt de vraag of een betrokkene ingevolge de bbb-regeling wordt toegelaten tot een gemeentelijke opvangvoorziening door het college beantwoord aan de hand van een medische en een verblijfsrechtelijke beoordeling. Afhankelijk van de uitkomst van deze beoordeling wordt een betrokkene al dan niet toegelaten tot de sobere opvangvoorziening. De uitkomst van deze beoordeling is op rechtsgevolg gericht. Dit leidt echter niet tot een vernietiging van de aangevallen uitspraak omdat het beroep van appellant op andere gronden niet-ontvankelijk is. Appellant heeft het college op 30 maart 2011 in gebreke gesteld. Gezien artikel 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb, is het op 11 april 2011 ingediende beroep prematuur en derhalve niet-ontvankelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen