CRvB 26 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL1686

Bijstand van appellant vanaf 1 januari 2007 met 50 % verlaagd voor de duur van twee maanden omdat appellant onvoldoende had meegewerkt aan een voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9 van de WWB. Geen objectieve medische gegevens dat appellant aan zodanige medische klachten leed dat van hem niet gevergd kon worden zijn werkzaamheden bij Paswerk voort te zetten. Van de appellant verweten gedraging kan niet gezegd worden dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Appellant heeft betoogd dat deze verlaging hem en zijn gezin onder het door internationale verdragen gegarandeerde bestaansminimum brengt en dat het College daardoor het gezinsleven van appellant en zijn gezin onmogelijk maakt. Het beroep van appellant op diverse verdragsbepalingen (EVRM, ESH, IVRK en IVESCR) slaagt niet. Naar het oordeel van de Raad kan in redelijkheid niet worden gezegd dat de opgelegde maatregel geen blijk geeft van een ‘fair balance’ tussen de publieke belangen betrokken bij de afstemming van bijstand en de particuliere belangen van appellant. Het beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt dan ook niet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen