CRvB 13 april 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW4281
Weigering verstrekking wezenuitkering, omdat de moeder op de dag van haar overlijden niet verzekerd was voor de Anw. Raad: Met de Rb. is de Raad van oordeel dat de moeder bij haar overlijden niet verzekerd was voor de ANW, nu zij niet in Nederland woonachtig was, noch onderworpen was aan de loonbelasting. Ook anderszins is niet gebleken van een verplichte of vrijwillige verzekering voor deze wet. De Raad stelt voorop dat de mogelijke toekenning van een (half)wezenuitkering, valt binnen het bereik van art. 1 van het Eerste Protocol en het recht op eigendom dat deze bepaling waarborgt (zie EHRM 27 maart 2005 (Luczak)). Dat brengt mee dat appellanten in beginsel een beroep toekomt op art. 14 van het EVRM en het daarin neergelegde discriminatieverbod. De stelling echter dat appellant en appellante anders behandeld worden op grond van hun status van halfwees kan de Raad evenwel niet volgen. Het niet toekennen van een wezenuitkering volgt niet uit de status van de kinderen, maar uit de verzekeringspositie van de moeder. De vraag of wel een wezenuitkering zou zijn toegekend in het geval de moeder eerder dan de vader was overleden is in dit verband niet van belang. De ANW is een risicoverzekering; derhalve is slechts van belang de situatie, daaronder begrepen de verzekeringspositie van de overleden ouder, zoals die zich voordoet op het moment van het intreden van het verzekerd risico. In iedere situatie waarin sprake is van een verzekerde en een niet-verzekerde ouder zullen, afhankelijk van de vraag welke ouder als eerste overlijdt, bepaalde rechten op een nabestaandenpensioen ontstaan of juist niet ontstaan. Een verschil in behandeling dat zijn oorzaak vindt in het al dan niet verzekerd zijn van de overleden ouder, is niet ongerechtvaardigd. Uit het hierboven overwogene volgt tevens dat niet gesproken kan worden van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling als bedoeld in art. 2 van het IVRK. Voorts betekent het voorbehoud bij art. 26 van het IVRK dat uit het IVRK niet kan volgen dat de halfwezenuitkering voortgezet moet worden op de grond dat sprake is van een recht van het kind op halfwezenuitkering. Ten aanzien van het beroep op de artt. 3 en 27 van het IVRK volstaat de Raad met de opmerking dat, zoals hij eerder heeft overwogen (zie CRvB 26 januari 2010, LJN: BL1686) deze verdragsbepalingen geen bepalingen vormen die naar hun inhoud eenieder kunnen verbinden als bedoeld in de artt. 93 en 94 van de GW. Aangevallen uitspraak bevestigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl