CRvB 11 augustus 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BJ5297
Herziening bijstand naar de norm voor een alleenstaande. De Raad stelt voorop dat het met de normwijziging samenhangende verschil in inkomen op zichzelf geen grond voor toekenning van bijzondere bijstand kan vormen. De Raad merkt op dat volgens de systematiek van de WWB met ingang van de datum dat het (laatste) ten laste van de alleenstaande ouder komende kind de leeftijd van 18 jaar bereikt voor de toepassing van de WWB geen sprake meer is van een eenoudergezin maar van twee zelfstandige rechtssubjecten. Vanaf dat moment komt de voormalige alleenstaande ouder nog slechts voor extra bijstand boven de norm voor een alleenstaande in aanmerking indien en voor zover aan de toepassingsvoorwaarden voor artikel 35, eerste lid, van de WWB is voldaan. Als compensatie voor de inkomensdaling kan een garantietoeslag worden verstrekt. De hoogte van deze toeslag is gelijk aan het verschil tussen de norm voor een alleenstaande ouder inclusief vakantietoeslag en het netto-inkomen per maand van de ouder en het feitelijke inkomen van het meerderjarige, inwonende kind. De Raad tekent daarbij nog aan dat artikel 35, eerste lid, van de WWB een gebonden (en dus geen discretionaire) bevoegdheid van het bestuursorgaan inhoudt. Naar vaste rechtspraak van de Raad betekent een en ander dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze wordt toegepast. Hiervan uitgaande stelt de Raad vast dat het besluit van 20 juli 2007 in overeenstemming is met het door het dagelijks bestuur gehanteerde beleid. De garantietoeslag is terecht per 1 april 2006 ingetrokken. De Raad ziet geen grond de hoogte van de over de periode van 8 tot en met 31 maart 2006 verleende garantietoeslag voor onjuist te houden.