CRvB 10 mei 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AA6466
Geen "voortgezette overtreding" bij een feit dat zich heeft voorgedaan vóór 01-08-1996 en een verplichting die vier weken nadien nog niet is nagekomen. Oplegging boete ad f 300,-- wegens niet tijdig voldoen aan de verplichting (a.b.i. art. 15 AKW) om wijziging in het inkomen van dochter D tijdig door te geven. De rechbank heeft bestreden besluit gegrond verklaard. Appellant is van oordeel dat sprake is van een voortgezette overtreding: een overtreding welke weliswaar is aangevangen vóór de inwerkingtreding van de Wet boeten, maar nadien voortduurt en bij gebreke van onverwijlde kennisgeving - na het verstrijken van een termijn van vier weken na inwerkingtreding - strafwaardig wordt. Raad: In de systematiek van de wet (AKW en Wet boeten) en het Boetebesluit gaat het om feiten en omstandigheden waaruit voor degene die aanspraak maakt op kinderbijslag (volgens de hoofdregel: onverwijld) een verplichting voortvloeit; de gedragsreactie van de betrokkene op dat feit is vervolgens bepalend voor het antwoord op de vraag of de verplichting is nagekomen en, in het verlengde daarvan, of er een grond is voor oplegging van een boete. Gegeven het onlosmakelijke en onmiddellijke verband in de bedoelde wetssystematiek tussen feit/omstandigheid, verplichting en overtreding maakt het eerstbedoelde element een essentieel onderdeel uit van de "delictsomschrijving" en dient ook dat element binnen de temporele werkingsfeer te vallen van de wettelijke regeling waarvan de toepassing wordt gevraagd. In die zin is er dan ook, bij een feit dat zich heeft voorgedaan vóór 01-08-1996 en een verplichting die vier weken nadien nog niet is nagekomen, geen sprake van een "voortgezette overtreding" in de zin als door appellant bedoeld, namelijk dat (ook) dan alle elementen van de delictsomschrijving voorhanden zouden zijn. Ook in het licht van het waarborgkarakter van de rechtsnormen, in het bijzonder art. 7.1, eerste volzin, EVRM en art. 15.1, eerste volzin, IVBPR moet in een casuspositie als de onderhavige in de visie van de Raad gelden dat op het tijdstip waarop het feit of de omstandigheid waaruit de verplichting voor de belanghebbende voortvloeit zich voordoet, het strafwaardig karakter van het niet nakomen van de verplichting vast staat, dat wil zeggen, in een wettelijke bepaling is neergelegd. Appellant was niet bevoegd om boete op te leggen; bevestiging aangevallen uitspraak. Sociale Verzekeringsbank, appellant. mrs. N.J. Haverkamp, F.P. Zwart, T.L. de Vries
De uitspraak op rechtspraak.nl