CBb 23 juni 2026, ECLI:NL:CBB:2026:284
Accountantstucht. Twee hoger beroepen. Een curator in het faillissement van drie gelieerde rechtspersonen heeft een klacht ingediend tegen twee accountants. De curator verwijt de ene accountant dat hij een samenstellingsopdracht voor twee van de drie rechtspersonen heeft aanvaard, terwijl hij wist of behoorde te weten dat voor die rechtspersonen een controleplicht gold en zij zich aan de controleplicht zouden onttrekken, wat de curator ook de andere accountant verwijt. Ook verwijt de curator de accountants dat de jaarrekeningen van de drie rechtspersonen onjuistheden bevatten, die de accountants onvoldoende professioneel-kritisch hebben beoordeeld. De accountantskamer heeft de klacht gegrond verklaard en aan beide accountants de maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving als accountant in de registers voor de duur van zes maanden opgelegd. Het College onderschrijft de uitspraak van de accountantskamer. Schending van het fundamentele beginsel van integriteit (artikel 6 van de VGBA) en het fundamentele beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid (artikel 13 van de VGBA). De hoger beroepen zijn ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl