CBb 4 april 2023, ECLI:NL:CBB:2023:168
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de accountantskamer van 12 februari 2021 (ECLI:NL:TACAKN:2021:16). Een forensisch accountant heeft van het management van een bedrijf opdracht gekregen om onderzoek te doen naar de wijze waarop de klachten van een tweetal werknemers in een intern onderzoek waren behandeld en afgedaan. De accountantskamer heeft zes klachtonderdelen gegrond verklaard. Aan de accountant is de maatregel van tijdelijke doorhaling van de inschrijving in de registers voor de duur van drie maanden opgelegd. De accountantskamer heeft bij deze beslissing het verwijt dat de accountant het fundamentele beginsel van integriteit heeft geschonden uitdrukkelijk meegewogen. Dit laatste verwijt houdt volgens het College geen stand. Het College oordeelt dat twee klachtonderdelen weliswaar terecht gegrond zijn verklaard, doch dat de accountant daarbij niet in strijd met het beginsel van integriteit, maar in strijd met het beginsel van vakbekwaamheid en zorgvuldigheid heeft gehandeld. Het College verklaart daarnaast drie andere klachtonderdelen alsnog ongegrond. Het College acht daarom een lichtere maatregel op zijn plaats en legt de accountant de maatregel van berisping op. Verder benadrukt het College dat het minder gewenst is dat in een uitspraak van de accountantskamer in een overweging ten overvloede een verwijt aan de accountant lijkt te worden gemaakt dat geen deel uitmaakt van de klacht en dat ook niet als tuchtrechtelijk verwijtbaar is aangemerkt. Het hoger beroep wordt deels gegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl