CBb 28 januari 2025, ECLI:NL:CBB:2025:32
Hoger beroep boetezaak. Voetzoollaessies bij kippen. Het College vindt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat wat appellante heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van de rapporten en dat de minister terecht heeft vastgesteld dat appellante naar aanleiding van de eerdere waarschuwingen voor hoge voetzoollaesies, geen passende maatregelen heeft genomen ter verbetering van het dierenwelzijn. Anders dan appellante meent, hoeft de NVWA-dierenarts bij zijn toezicht op dierenwelzijn niet exact de werkwijze te volgen die voor het slachthuis in de Regeling is voorgeschreven. Dit volgt niet uit de betreffende voorschriften van het Besluit en de Regeling en ook niet uit het Werkvoorschrift. Het College volgt appellante ten slotte niet in haar betoog dat het zou gaan om incidenten en dat zij zich voldoende inspant om voetzoollaesies bij de vleeskuikens te voorkomen. Het College is met de rechtbank van oordeel dat de verplichting van artikel 2.53, eerste lid, van het Besluit een resultaatsverplichting inhoudt. Ambtshalve matiging boete vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
De uitspraak op rechtspraak.nl