CBb 10 december 2024, ECLI:NL:CBB:2024:907

Hoger beroep boetezaak. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant een dier heeft vervoerd dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, namelijk een geit die niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen of zonder hulp te lopen, waardoor het vervoer bij de geit onnodig lijden veroorzaakte. Het College ziet in wat appellant heeft aangevoerd geen reden om aan de deskundigheid en constateringen van de toezichthoudend dierenarts te twijfelen. Appellant geeft in zijn zienswijze aan dat de geit is afgevoerd vanwege een strekpoot, maar hij heeft hierin geen beletsel gezien de geit te transporteren. De minister stelt terecht dat appellant op zijn minst twijfel had moeten hebben over de transportwaardigheid van de geit en het dier door een dierenarts had moeten laten onderzoeken. Matiging van de boete vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken