CBb 19 september 2023, ECLI:NL:CBB:2023:514

In deze zaak is door de minister aan een veehouder een last onder bestuursdwang opgelegd op grond van de Wet dieren. Vervolgens zijn de kosten van toegepaste bestuursdwang op de veehouder verhaald. Het College komt tot de conclusie dat de last terecht is opgelegd en dat de minister bestuursdwang mocht toepassen. De kosten van de toegepaste bestuursdwang heeft de minister ook terecht op de veehouder verhaald. Partijen verschillen van mening over het bedrag dat in mindering moet worden gebracht op de kosten, vanwege de opbrengst van de verkoop van de dieren aan een derde. Het College past artikel 8:74, vierde lid, Awb (overeenkomstig) toe en oordeelt dat het hierbij in beginsel gaat om de daadwerkelijke prijs die voor de dieren is betaald. Daarbij is wel uitgangspunt dat de verkoop heeft plaatsgevonden tegen een reële prijs, gegeven de omstandigheden van het geval. Om te kunnen waarborgen dat verkoop plaatsvindt tegen een reële prijs, is van belang dat de minister een zorgvuldige procedure volgt bij de verkoop van de dieren. De minister heeft voor dit soort gevallen een verkoopprocedure vastgesteld, maar die procedure is hier niet volledig gevolgd. Het bedrag aan verhaalde kosten kan daardoor niet in stand blijven. Het College voorziet zelf in de zaak en stelt het te betalen bedrag aan kosten lager vast.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken