CBb 23 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:26
Voor het jaar 2022 heeft de Nerderlandse Zorgautoriteit (NZa) de prestatiebeschrijvingsbeschikking voor de farmaceutische zorg vastgesteld. Ten opzichte van voorgaande prestatiebeschrijvingsbeschikkingen is een zevende facultatieve prestatie (Fp7) toegevoegd aan de lijst met al bestaande facultatieve prestaties. De Fp7 ziet op de begeleiding en het verbeteren van UR-geneesmiddelengebruik in samenwerking met de huisarts, met als doel het optimaliseren van het totale medicatiegebruik van de patiënt. Het geschil gaat over deze Fp7. De Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) kan zich niet vinden in de toevoeging van de Fp7 aan de prestatiebeschrijvingsbeschikking. De KNMP vindt dat de Fp7 niet volgens de bepalingen in de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de beleidsregels van de NZa tot stand is gekomen. De NZa is het daar niet mee eens. Het College stelt de NZa in het gelijk. Het College oordeelt dat de NZa bevoegd is om op basis van de aanwijzing de Beleidsregel en de daarop gebaseerde prestatiebeschrijvingsbeschikking vast te stellen. De NZa toetst in beginsel uitsluitend of de prestatie voldoende duidelijk omschreven is en valt binnen de reikwijdte van de Wmg, en niet of er overlap zit tussen reguliere en facultatieve prestaties. Het College oordeelt verder dat de door de KNMP bestreden handelwijze van de NZa niet in strijd is met artikel 35, eerste lid, van de Wmg. Die bepaling bevat verschillende verboden over het in rekening brengen van een tarief. Geen van deze verboden is echter van toepassing in verband met de Fp7, omdat in de farmaceutische zorg vrije tarieven worden gehanteerd. Van strijd met de artikelen 11 en 13 van de Zorgverzekeringswet is in dit geval geen sprake is. Een zorgprestatie waarop aanspraak bestaat maar die niet door een apotheek kan worden geleverd, kan immers wel van een andere apotheek worden betrokken die wel daarover heeft gecontracteerd met de zorgverzekeraar.
De uitspraak op rechtspraak.nl