CBb 25 juli 2023, ECLI:NL:CBB:2023:388
De Kamer van Koophandel heeft op grond van artikel 5, eerste lid, van het Handelsregisterbesluit geweigerd om een aantal appellanten in het handelsregister in te schrijven, omdat geen verklaring voor recht van de civiele rechter is overgelegd en zij daardoor niet kan vaststellen of de opgave is gedaan door een daartoe bevoegd persoon. Het was Doting e.a. vanaf de uitspraak van het College van 28 april 2020 al duidelijk dat en waarom een verklaring voor recht van de civiele rechter mag worden verlangd. Uit het vonnis van de civiele rechter volgt dat die vordering niet tegen de Kamer van Koophandel kan worden ingesteld maar moet zijn gericht tegen de bij de rechtsverhouding betrokkenen. Niet is gebleken dat appellanten hebben geprobeerd om bij de civiele rechter een verklaring voor recht te verkrijgen. Zij kiezen er ondanks de herhaalde uitspraken van het College, steeds voor de Kamer van Koophandel te confronteren met een niet onderbouwde opgave onder het verzoek om over te gaan tot inschrijving in het handelsregister en daarover vervolgens bij de bestuursrechter te procederen, terwijl zij weten dat dit geen enkele kans van slagen heeft. Hieruit volgt dat appellanten de bevoegdheid om beroep in te stellen zodanig evident hebben aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwade trouw. Appellanten hebben hiermee misbruik gemaakt van hun bevoegdheid beroep tegen het bestreden besluit in te stellen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CBb 12 oktober 2021, ECLI:NL:CBB:2021:947
- CBb 10 november 2020, ECLI:NL:CBB:2020:819
- Rb. Midden-Nederland 26 augustus 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:3026
- CBb 28 april 2020, ECLI:NL:CBB:2020:325
- CBb 28 april 2020, ECLI:NL:CBB:2020:326
- ABRvS 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2817
- Rb. Midden-Nederland 20 juni 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:2795
- CBb 30 maart 2017, ECLI:NL:CBB:2017:114