CBb 28 april 2020, ECLI:NL:CBB:2020:325

Verweerster heeft met het primaire besluit, voor zover dat strekt tot de ambtshalve uitschrijving van naam 4 als bestuurder van de vereniging, terecht toepassing gegeven aan artikel 38, eerste lid, in samenhang met de artikelen 33 tot en met 36 van de Hrw. Het beroep van appellanten op artikelen 2:6 en 2:8 van het BW en arrest van de Hoge Raad van 2 juni 1977, slaagt niet. Verder heeft verweerster zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat aan de vergadering van 14 juli 2018 geen geldig besluit tot bijeenroeping ten grondslag ligt en derhalve op goede gronden heeft geweigerd om naam 5 en naam 1 in het handelsregister in te schrijven als bestuurders van de vereniging per 14 juli 2018.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken