CBb 20 december 2022, ECLI:NL:CBB:2022:806

Verweerder heeft er terecht op gewezen dat de TVL in een geval zoals dat van appellante geen mogelijkheid biedt om voor de bepaling van het omzetverlies af te wijken van de referentieperiode van artikel 3, tweede lid, van de TVL. Op grond van artikel 4:46, eerste lid, van de Awb geldt als uitgangspunt dat het subsidiebedrag wordt vastgesteld in overeenstemming met de verlening. Nu appellante niet voldoet aan de voorwaarde voor subsidieverlening, was verweerder bevoegd om op grond van artikel 4:46, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb tot verlaging van de subsidie over te gaan. Het College vindt de verplichting tot nihilstelling passend bij de aard, het doel en de structuur van de TVL. Dat nihilstelling volgt indien bij de vaststelling blijkt dat de daadwerkelijke omzet in de subsidieperiode niet heeft geleid tot een omzetverlies van 30%, vindt het College een passende invulling van de bevoegdheid die volgt uit artikel 4:46, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de regelgever binnen zijn bevoegdheden is gebleven bij het vaststellen van de verplichting tot nihilstelling bij een omzetverlies van minder dan 30%. Het College concludeert daarom dat verweerder de subsidie van appellante terecht heeft vastgesteld op € 0,-.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken