CBb 21 juni 2022, ECLI:NL:CBB:2022:329

Accountantstuchtrecht. Appellant was – ten tijde van belang - registeraccountant. Hij heeft onjuiste documenten ter beschikking gesteld aan de bank ter verkrijging van een financiering van € 3.100.000,- voor de bouw van een restaurant dat zou worden geëxploiteerd door de BV waarvan hij op dat moment medebestuurder was. Het handelen waarop de klacht betrekking heeft ziet op een professionele dienst van appellant. Bij een professionele dienst gaat het om werkzaamheden (in het kader van zakelijk handelen of privé-handelen) waarvoor de vakbekwaamheid als accountant wordt of kan worden aangewend. Het College is van oordeel dat uit het dossier duidelijk blijkt dat appellant voor de werkzaamheden rondom de financieringsaanvraag bij de bank zijn vakbekwaamheid als accountant heeft aangewend. In dat geval zijn alle in artikel 2 van de VGBA genoemde fundamentele beginselen van toepassing. Appellant heeft in ernstige mate gehandeld in strijd met de fundamentele beginselen van professionaliteit en integriteit. Hij heeft daarmee het vertrouwen in het accountantsberoep op zeer ernstige wijze geschaad. Het College acht, evenals de accountantskamer, de opgelegde maatregel van doorhaling en de daaraan verbonden termijn van tien jaren passend en geboden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken