CBb 20 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:430

Accountantstuchtrecht. Hoger beroepen van zowel de oorspronkelijke klagers als de accountant. Het hoger beroep van appellante – een rechtspersoon – is niet-ontvankelijk omdat aanleiding is voor ernstige twijfel over het voortbestaan van appellante na 30 september 2019 en namens appellante geen enkel stuk is overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zij desondanks voortbestaat. De accountantskamer heeft de klacht terecht inhoudelijk behandeld nu inhoudelijke behandeling reeds was gerechtvaardigd omdat de klacht tevens was ingediend door appellant. Geen aanleiding voor het oordeel dat de accountantskamer had moeten afzien van een inhoudelijke beoordeling vanwege misbruik van klachtrecht. Het enkele feit dat partijen gebrouilleerd geraakt waren maakt nog niet dat bij het indienen van een klacht door appellanten sprake was van misbruik van klachtrecht. Het College oordeelt dat de accountantskamer terecht heeft getoetst aan alle fundamentele beginselen. De verweten gedragingen van de accountant zijn – anders dan door appellant betoogd – geenszins op één lijn te stellen met het innemen van een civielrechtelijk standpunt in een zakelijk geschil. Het College onderschrijft de inhoudelijke beoordeling van de accountantskamer van de klachtonderdelen. De grieven van appellant noch de accountant slagen. Het hoger beroep van appellante is niet-ontvankelijk, het hoger beroep van appellant is ongegrond, evenals het hoger beroep van de accountant.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken