CBb 23 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:339
Meststoffenwet: artikel 23, derde lid Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, artikel 72, eerste lid Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, artikel 74, vierde lid Het College is van oordeel dat appellant als starter én zelfzuivelaar moet worden aangemerkt en dat het uitgangspunt is dat als gemiddelde melkproductie per koe in dit geval 7.500 kg moet worden aangehouden en niet de door appellant beoogde 8.338 kg. Het College ziet geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken. De startersregeling bevat immers, anders dan artikel 74, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Msw voor zelfzuivelaars, geen wettelijke bepaling die ertoe verplicht uit te gaan van een forfaitaire gemiddelde melkproductie per koe. De Nota van Toelichting (Staatsblad 2017, 521, p. 10) waarnaar appellant verwijst bevat geen andersluidende wettelijke bepaling, maar slechts begunstigend beleid. Daar komt bij dat uitgaan van een hogere melkproductie dan die voor zelfzuivelaars ertoe zou leiden dat appellant zou worden bevoordeeld ten opzichte van andere zelfzuivelaars.
De uitspraak op rechtspraak.nl