CBb 11 mei 2021, ECLI:NL:CBB:2021:481

Artikel 23, derde lid, van de Meststoffenwet Artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EP) Fosfaatrechten – geen individuele en buitensporige last Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op hen legt. Blijkens de overgelegde bankafschriften zijn de daadwerkelijke investeringen in de uitbreiding in 2013 en 2014 gedaan, toen de stal werd verbouwd. In dat verband is van belang dat in 2013 is gewaarschuwd dat (dreigende) overschrijding van het fosfaatproductieplafond kon leiden tot productiebeperkende maatregelen, waaronder dierrechten. Ook daarna zijn in aanloop naar de afschaffing van het melkquotum nog verschillende soortgelijke waarschuwingen vanuit de markt en de overheid gevolgd. Van een bedrijfseconomische noodzaak voor de zeer forse uitbreiding – van 109 melk- en kalfkoeien naar 232 melk- en kalfkoeien – is het College voorts niet gebleken. Dat sprake is van een omschakeling van een gemengd bedrijf naar alleen een melkveehouderij is in dit verband wel gesteld door appellanten, maar daarvoor vindt het College echter geen steun in de stukken. Dat langdurige gezondheidsklachten van de vennoot hun weerslag hebben op de bedrijfsvoering begrijpt het College. In welke mate de bedrijfsvoering daardoor concreet wordt beïnvloed en hoe een eventuele bedrijfsopvolging daarbij een rol speelt, kan het College echter niet beoordelen nu appellanten dit, na daarvoor in de gelegenheid te zijn gesteld, niet nader hebben onderbouwd met stukken. Ook deze omstandigheid kan daarom niet leiden tot een andere conclusie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken