CBb 30 maart 2021, ECLI:NL:CBB:2021:361
Artikel 23, derde lid, Meststoffenwet. Artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Het College is van oordeel dat het fosfaatrechtenstelsel een individuele en buitensporige last op appellant legt. Niet in geschil is dat appellant zijn bedrijf gedwongen heeft moeten verplaatsen vanwege aanpassingen aan de provinciale weg. Anders dan in de zaak van appellant over het fosfaatreductieplan, komt het College op basis van de overgelegde stukken tot de conclusie dat appellant aannemelijk heeft dat er een bedrijfseconomische noodzaak bestond voor een (beperkte) uitbreiding op zijn nieuwe locatie. Dat maakt de situatie van appellant wezenlijk anders dan die van melkveehouders die zijn gaan uitbreiden vanwege het vervallen van het melkquotum en van wie de uitbreidingsplannen doorkruist zijn door de peildatum. Vanwege het langdurige onderhandelingstraject met de provincie, heeft appellant zijn investeringen pas na de peildatum 2 juli 2015 kunnen doen. Op dat moment had appellant geen andere keuze meer dan zijn plannen door te zetten. Hem kan daarom niet worden tegengeworpen dat het fosfaatrechtenstelsel op dat moment kenbaar was. Het College oordeelt dat er goede redenen bestaan om aan te nemen dat de last die het fosfaatrechtenstelsel op appellant legt buitensporig is en dat zijn belang zwaarder dient te wegen dan de belangen die zijn gediend met het fosfaatrechtenstelsel. Het beroep is gegrond en het College draagt verweerder op appellant een ontheffing te verlenen ter compensatie van de last.
De uitspraak op rechtspraak.nl